Tunesië
(officieel: al-Djoemhoerijja at-Toenisijja), republiek in Noord-Afrika, 164.150 km², met 8.987.000 inw. (55 inw. per km²); hoofdstad: Tunis. Munteenheid is de Tunesische dinar, onderverdeeld in 1000 millimes. Er zijn verscheidene nationale feestdagen, belangrijke zijn 1 juni, 20 maart (Onafhankelijkheidsdag) en 25 juli (Dag van de Republiek).Fysische geografie
Tunesië kan in drie hoofdlandschappen worden verdeeld
: a. het westelijke en centrale bergland, in hoogte variërend van ca. 500 tot 1500 m en van west naar oost geleidelijk aflopend. Dit Tunesische bergland, met als hoogste bergrug de in het middenwesten gelegen Dorsale (of Hoge Tell), is een voortzetting van het bergland van Algerije: in het noorden van de Algerijnse Tell-Atlas, meer naar het zuiden van de Algerijnse Sahara-Atlas. b. Het dal van de in Noordoost-Algerije in het Medjerdagebergte ontspringende rivier de Medjerda, de enige rivier van Tunesië die gedurende het gehele jaar water bevat. Het is een vruchtbaar gebied, zich uitstrekkend van de grens met Algerije tot aan de Golf van Tunis. c. Zuid-Tunesië; het gebied ten zuiden van het grote, regelmatig droogvallende zoutmeer Sjot el-Djerid, gevormd door enkele zoutvlakten en de uitgestrekte Tunesische Sahara. Het is een vrijwel onbewoond gebied. Het gehele oosten van Tunesië, van Kaap Bon in het noorden tot de Libische grens, is overwegend vlak.Het klimaat wordt gekenmerkt door warme, droge zomers en koele, regenrijke winters. Plaatselijke verschillen treden op door de invloed van de Middellandse Zee en de ligging ten opzichte van het gebergte en de Sahara. De meeste neerslag valt ten noorden van de Hoge Tell, nl. gemiddeld meer dan 400 mm per jaar met maxima langs de kust van 700 tot plaatselijk 1200 mm per jaar. Ten zuiden van de Hoge Tell begint de overgang naar een semi-aride klimaat met neerslagmaxima van 300 mm en verder zuidwaarts van 100 tot 150 mm per jaar. Zuid-Tunesië (Sahara) ontvangt minder dan 100 mm neerslag per jaar. De neerslag valt vnl. in de periode oktober tot februari. De temperatuurverschillen zijn minder groot dan de neerslagverschillen, hoewel Noord-Tunesië wel aanzienlijk minder warm is dan Zuid-Tunesië. In de warmste maand, juli, heeft de streek Tunis-Bizerte een gemiddelde temperatuur van 25,9 °C; het veel zuidelijker gelegen Tozeur heeft in dezelfde maand een gemiddelde temperatuur van 32,3 °C. Het gebied Tunis-Bizerte heeft in de koudste maand, januari, een gemiddelde temperatuur van 11°C; het bergland van de Hoge Tell 5,9 °C.
De plantengroei wordt sterk bepaald door de hoeveelheid neerslag. In het noorden overheerst de kurkeik, in het centrale bergland de aleppo-den. In de noordelijke valleien komen loofbomen zoals de olm, de populier, de es en de eik voor. Een groot gedeelte van de bossen (naar schatting 6% van het land) is door overmatig kappen en door overbeweiding tot struikgewas gereduceerd. Op plaatsen waar per jaar minder dan 400 mm neerslag valt, groeit steppegras, terwijl grote gebieden in het westen en het zuiden met espartogras (alfagras) bedekt zijn. In de woestijngebieden bestaat de vegetatie alleen uit droogteminnende planten (o.a. acacia's).
De dierenwereld is ten dele mediterraan van karakter (kust en daaraan grenzende delen van het land) en sluit ten dele aan bij die van de Saharawoestijn. Veel van de dieren van het mediterrane gebied zijn Europees van karakter, zoals het zeer zeldzaam geworden Barbarijse of Atlasedelhert, het wilde zwijn en de vos. Andere dieren doen exotisch aan, zoals de magot, een tot de gebergten van Noordwest-Afrika (en Gibraltar) beperkte vertegenwoordiger van de makaken onder de apen. Aan de kust komt de monniksrob nog voor. Van de Afrikaanse elementen zijn o.a. het hartenbeest en de leeuw al lang geleden uitgestorven; panter en jachtluipaard komen sinds kort niet meer voor; wel zijn er nog verschillende soorten gazellen in het droge binnenland. De vogelwereld is tamelijk rijk, vooral aan de kust. De mens heeft al heel lang zijn stempel gedrukt op de dierenwereld van Noord-Afrika, vooral door de ontbossing. Hannibal gebruikte nog de al sinds lang uitgeroeide Noord-Afrikaanse olifanten. Het land telt één nationaal park.
Bevolking
In de kustgebieden leven de nakomelingen van de Feniciërs, Romeinen, Noormannen, Andalusiërs en Turken, die zich volledig vermengd hebben met de Arabieren en Berbers. De laatsten leven nog in enkele kleine gesloten gemeenschappen in de bergen en op het eiland Djerba (feitelijk nu een schiereiland). Bijna de gehele bevolking is gearabiseerd. 54% van de bevolking woont in de steden. De grootste steden zijn Tunis (1,83 miljoen inw.), Sfax (230
.000), Ariana (153.000), Kairouan (102.000), Bizerte (98.000) en Sousse (125.000). De jaarlijkse bevolkingsaanwas bedraagt ca. 2,1%; 40% van de bevolking is jonger dan 15 jaar.De officiële taal is Arabisch, waarvan de gesproken vorm sterk afwijkt van de geschreven taal. Het Berbers is bijna volledig verdwenen. Frans wordt nog veel gebruikt in bestuur en handel. Het is bovendien de taal van het hoger onderwijs. Verder wordt nog Italiaans gesproken. De officiële religie is de islam. Ongeveer 96% van de bevolking is islamiet, en wel van de soennitische richting. Het aantal christenen (rooms-katholieken, Grieks-orthodoxen, protestanten) bedraagt ca. 2,5%. De joodse gemeenschap telt naar schatting 20
.000 zielen (vooral op Djerba).Bestuur en samenleving
Volgens de grondwet, die van 1959 dateert, met aanpassingen in 1969, 1974, 1976, 1988 en 1994, is het hoofd van de republiek de president, die voor vijf jaar met algemeen kiesrecht gekozen wordt. Hij kan zich twee keer herkiesbaar stellen en moet tussen de 40 en 70 jaar oud zijn. Hij is hoofd van de uitvoerende macht en opperbevelhebber van het leger. Hij wordt bijgestaan door een ministerraad onder leiding van de premier. De wetgevende macht berust bij de Assemblée Nationale, waarvan de 163 leden met algemeen kiesrecht (vanaf 20 jaar) voor vijf jaar worden gekozen. De president heeft tegenover de Assemblée een vetorecht, dat slechts met tweederde meerderheid overstemd kan worden.
Politieke partijen. 144 zetels in het parlement worden bezet door de Rassemblement Constitutionnel Démocratique (RCD) van president Zine el Abidine Ben Ali, die in 1988 de voortzetting werd van de onafhankelijkheidspartij Parti Socialiste Destourien (PSD) van Habib Bourguiba. De overige partijen, die de 19 oppositionele zetels bezitten, zijn: de Mouvement des Démocrates Socialistes (MDS), de Mouvement de la Rénovation, de Union Démocratique unioniste en de Parti de l'Unité Populaire. Buiten de wet gesteld is de beweging Hizb al-Nahdah (Wedergeboorte), sinds 1989 de voortzetting van de in 1981 opgerichte Mouvement de Tendence Islamique (MTI), die islamitisch fundamentalistisch is.
Officiële vakbond is de Union Générale Tunisienne du Travail (UGTT).
Tunesië is bestuurlijk verdeeld in 23 provincies (vilajat), met aan het hoofd een wali. Ze zijn weer onderverdeeld in delegaties (moetamaddijjat), die verder onderverdeeld zijn in gemeenten.
Tunesië is lid van de Verenigde Naties en enkele VN-organisaties, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), de Arabische Liga, de Islamitische Conferentie Organisatie en de Unie van de Arabische Maghreb (AMU). Het land is geassocieerd met de EU.
Economie
Tunesië heeft een vrijemarkteconomie waarin de overheid evenwel een grote rol speelt door middel van een verstrekkende wetgeving, een regulerend en bevorderend optreden met betrekking tot investeringen, het aantrekken van buitenlands kapitaal en het opzetten van werkgelegenheidsprogramma's. Met een inkomen per hoofd van de bevolking in 1995 van $ 1820 per jaar behoort Tunesië niet tot de groep armste landen, maar de economie heeft wel alle kenmerken van die van een ontwikkelingsland
: grote afhankelijkheid van de export van grondstoffen, het toerisme en de overmakingen van gelden van in het buitenland werkende Tunesiërs, terwijl hoogwaardige industrieproducten ingevoerd moeten worden. De gemiddelde jaarlijkse economische groei over de periode 1985–1995 was 3,9%.Ongeveer 21% van de beroepsbevolking is werkzaam in de landbouw, die voor 12% bijdraagt aan het bnp. Ongeveer 55% van de grond is in cultuur gebracht, er zijn grote irrigatieprojecten (waaronder de aanleg van een groot aantal stuwdammen) in uitvoering. De landbouw heeft te kampen met ontvolking van het platteland, het verouderde pachtsysteem, bodemerosie en overbegrazing. De belangrijkste landbouwgebieden liggen in de dalen van de bergen in het noorden (granen); in het noordoosten is ook veel tuinbouw (wijnbouw, fruit, groenten en citrusvruchten). In de Tunesische Sahel zijn olijven en in Zuid-Tunesië de dadels en oasencultures de belangrijkste bronnen van inkomsten. Kunstmatige bevloeiing wordt in een klein deel van het bebouwde land toegepast; het overgrote deel is afhankelijk van de regionaal ongelijk vallende neerslag. Van de aanwezige waterreserves wordt 60% benut. De veehouderij kan de binnenlandse vraag naar vlees en melk niet dekken. Op de steppen van Midden- en Zuid-Tunesië worden schapen, in het noorden runderen gehouden. De sector pluimvee maakt een opmerkelijke groei door. De visserij stagneert al jaren. De overheid, die een vismonopolie heeft in de kustlagunen en enkele binnenmeren, bevordert door middel van het Commissariat Général à la Pêche de kustvisserij en de verre visserij door de opbouw van een moderne vissersvloot. De bosbouw is als economische sector nauwelijks van betekenis. Alleen de winning van kurk is enigszins ontwikkeld. 85
.000 ha moet opnieuw bebost worden.Tunesië is rijk aan bodemschatten
: aardolie, aardgas, fosfaat (zesde leverancier van de wereld), ijzererts, looderts, zinkerts, fluoriet, kwik, potas en zout. De belangrijkste aardolievelden zijn Bir Aouin, al-Borma en rond de eilandjes van Kerkena. In de Golf van Gabès zijn aardolie (geschatte voorraad: 1,8 miljard vaten) en kleine aardgasreserves aangetroffen. Het land moet brandstof invoeren. Ongeveer eenderde van de beroepsbevolking is werkzaam in de industrie, die 29% aan het bnp bijdraagt. Industriële centra zijn Tunis, waar de voedings- en genotmiddelenindustrie overheerst, Menzel Bourguiba-Bizerte met zware industrie (hoogovens en aardolieraffinage, cementindustrie en textiel), Sousse met textielbedrijven, Sfax met fosfaatverwerkende industrie en Gabès met petrochemische en cementindustrie. ln het overheidsbeleid ligt de nadruk op het aantrekken van buitenlandse investeringen, exportoriëntatie, het stimuleren van privé-ondernemingen en het decentraliseren van de industrie. De energievoorziening is in hoge mate afhankelijk van aardolie-import. Het beleid is er op gericht meer eigen exploratie en raffinagecapaciteit te stimuleren.Handel. Het tekort op de handelsbalans wordt gedeeltelijk goedgemaakt door inkomsten uit toerisme en overmakingen door gastarbeiders (in Europa en Libië). De voornaamste exportproducten zijn textiel en lederwaren (30%), aardolie(-producten) (20%), fosfaat en chemische producten (20%). De belangrijkste bestemmingen zijn Frankrijk (25%), Italië (19%), Duitsland en de Beneluxlanden. De import bestaat voor een groot deel uit textiel (17%), machines (13%), aardolie (9%), graan en auto's, deze is afkomstig uit vooral Frankrijk (27%), Italië (14%), Duitsland (12%), de Verenigde Staten en de Benelux.
Tunesië heeft te kampen met een hoge buitenlandse schuld (in 1995 $ 9, 9 miljard). Op aandrang van het IMF poogt de regering te bezuinigen op overheidssubsidies.
Het toerisme is de belangrijkste bron van buitenlandse valuta (3, 9 miljoen buitenlandse gasten in 1996). De toeristische infrastructuur langs de kust is in de jaren tachtig aanzienlijk uitgebreid en verbeterd. Deze sector zorgt ook voor veel werkgelegenheid. Bijna de helft van de beroepsbevolking is in de dienstensector werkzaam.
Tunesië krijgt vnl. ontwikkelingshulp van de westerse industrielanden, zoals de Verenigde Staten, Duitsland, Italië en Frankrijk, alsmede van internationale organisaties. Centrale bank is de Banque Centrale de Tunisie. Ontwikkelingsbank is de Banque de Développement Économique de Tunisie. De vestiging van buitenlandse banken wordt aangemoedigd.
In het noorden van het land is het wegennet in goede staat en dichtmazig. Het is 29
.200 km lang, met bus- en (collectieve) taxidiensten tussen de steden. De Société des Chemins de Fer Tunisiens verzorgt het spoorwegverkeer, dat de grote steden met elkaar verbindt (totale lengte: 2250 km). De staatsscheepvaartonderneming Compagnie Tunisienne de Navigation onderhoudt het scheepvaartverkeer met Europa en andere Arabische havens. Voornaamste zeehavens zijn Tunis, Bizerte, Sousse en Sfax. De nationale luchtvaartmaatschappij is Tunis Air. Er zijn zes internationale luchthavens: Tunis-Carthage, Tunis-al Aouina, Monastir-Skanes, Djerba-Mellita, Tabarka en Tozeur-Nefta.Toeristische gegevens
Tunesië bezit nog veel monumenten en kunstschatten uit diverse cultuurperioden. De oudste zijn prehistorisch
: versierde vuurstenen, benen kralen e.d. uit de tijd na 8000 v.C., thans o.a. in het Bardo-Museum in Tunis. Vanaf de stichting van nederzettingen door de Feniciërs (vanaf ca. 1200 v.C.) tot aan de verwoesting van het machtige handelsimperium Carthago door de Romeinen (146 v.C.) was de Punische cultuur dominant. De belangrijkste musea (Tunis, Sousse, Sfax, Carthago) bezitten Punische voorwerpen, o.a. sieraden en amuletten, de laatste van klei en gekleurd glas en dikwijls in de vorm van maskers. Er is een Punische ruïnestad: Kerkouane. Zeer rijk zijn de restanten uit de Romeinse tijd. Tunesië bezit de mooiste collectie Romeinse mozaïeken (met name in het Bardo-Museum). Romeinse bouwresten vindt men te Dougga (tempel en theater en overblijfselen van bouwwerken aan drie pleinen), al-Djem (in de oudheid: Thyrsus; amfitheater), Maktar (thermen en triomfboog), Sbeitla (triomfboog, forum met tempel), Thuburbo Majus (resten van tempels) en Carthago, waar bovendien nog opgravingen uit de Punische tijd te zien zijn. Uit de vroeg-christelijke periode resten eveneens mozaïeken, o.a. doopvonten en grafmozaïeken, voorts sarcofagen (thans in de grotere musea). Resten van vroeg-christelijke basilica's vindt men bij Carthago (150 m lang) en in Sbeitla. De oudste Arabische stad van Tunesië, Kairouan, bezit talrijke monumenten, o.a. de Grote of Sidi Okba-moskee (9de eeuw). Andere plaatsen met Arabische monumenten en typisch Arabische binnensteden (medina's) zijn o.a. Tunis, Sousse, Sfax, Bizerte en Mahdia met een 10de-eeuwse moskee. De islamitische monumenten omvatten naast moskeeën: medrese (hogescholen), paleizen, kasba's (citadellen) en mausolea; bekend zijn voorts de ribats (kloosterburchten) van Monastir en Sousse (8ste–9de eeuw). Laat-middeleeuwse forten vindt men vnl. langs de kust, o.a. in Kélibia en Hammamet en op het eiland Djerba. Zeer algemeen is de vervaardiging van allerlei handwerk, o.a. tapijten (Kairouan, Beni Khiar, Bizerte, Gafsa), keramiek (Nabeul, Moknine, Sedjenane), borduurwerk (Mahdia, al-Djem, Hammamet, Bizerte, Raf-Raf, Djerba), katoenweverij (Ksar Hellal), smeedwerk in goud, zilver, koper, ijzer (Kairouan, Bizerte), leerbewerking (Kairouan, speciaal zadels), traditioneel beeldhouwwerk (Dar Chaabane); in Tunis vindt men vrijwel alle vormen van handwerk. Spectaculaire evenementen zijn het valkenjachtfestival in al-Haouaria (jaarlijks op 1 mei) en de fantasia's: ruiterspelen (Kairouan, voorts in de Sahara). Centrale badplaatsen zijn Bizerte en omgeving (de koraalkust), het eiland Djerba, Gabès, Hammamet en Monastir. Gabès, Gafsa en Tozeur zijn uitgangspunten voor woestijntoerisme in Zuid-Tunesië.Geschiedenis
Tunesië, vroeger in het Arabisch Ifriqiyah geheten, maakte in de oudheid deel uit van het rijk van
Carthago. Na de ondergang hiervan behoorde het tot de Romeinse provincie Africa, waar zich vele Romeinse kolonisten vestigden. In de 5de en 6de eeuw behoorde het tot het rijk der Vandalen, daarna tot het Byzantijnse Rijk.Arabische periode
In de tweede helft van de 7de eeuw werd Tunesië door de Arabieren veroverd. Onder het kalifaat werd het door een stadhouder bestuurd, totdat de emir Ibrahim ibn al-Achlab zich in het begin van de 9de eeuw onafhankelijk maakte. In 909 volgde de dynastie van de Fatimiden. Toen deze het zwaartepunt van haar macht naar Egypte had verlegd, benoemde zij voor Tunesië een Berberse stadhouder, die zich op zijn beurt onafhankelijk maakte en stichter van de dynastie van de Ziriden werd. Omstreeks 1050 kwam het tot een openlijke breuk met Egypte. De daaropvolgende strijd leidde tot anarchie. Roger II van Sicilië maakte van deze omstandigheid gebruik om in 1148 de kuststrook te bezetten. In 1159 veroverden de Almohaden van Marokko Tunesië en maakten Tunis tot hoofdstad. Stadhouder werd in 1207 Abd al-Wahid, die zich in 1228 onafhankelijk maakte en onder de titel emir stichter werd van de dynastie van de Hafsiden. Hoewel voortdurend bedreigd door andere Middellandse-Zeemogendheden, bleef Tunesië onafhankelijk ten gevolge van onderlinge conflicten van die staten. In 1534 bezette Chair al-Din de stad Tunis, na de Turkse soevereiniteit te hebben erkend. In 1535 herstelde Karel V de Hafsiden onder Spaans protectoraat.
Turkse periode
De Spanjaarden wisten echter de Turkse invloed niet te weren en sinds 1574 werd Tunesië onder Turks oppergezag nagenoeg onafhankelijk. Het land werd als Turkse provincie georganiseerd onder een pasja. Uit de officierskaste van de beis trok er één in 1591 de macht aan zich. Onder de hierop volgende regeringsperiode van de regenten, de deis, verschoven de machtsverhoudingen opnieuw. De bei, een ambtenaar belast met de taak met wapengeweld de belasting te innen, werd de ware machthebber in de staat. Ibrahim al-Sjarif verenigde ten slotte in 1702 de titels bei, dei en pasja. Reeds in 1705 werd hij echter opgevolgd door Hoessein ben Ali Turki, zoon van een van Kreta afkomstige Turkse soldaat. Deze Hoessein werd de stichter van de dynastie der Hoesseiniden. Onder hun beheer kwam Tunesië tot grotere welvaart. Naast de eeuwenoude zeeroverij werden landbouw en handel belangrijke bronnen van inkomsten.
In het begin van de 19de eeuw verlangden de Europese landen van de bei Mahmoed (1814–1824) onderdrukking van de zeeroverij. De verovering van Algiers door Frankrijk (1830) had grote gevolgen voor Tunesië. De bei Achmed (1837–1855), een verlicht despoot, schafte de slavernij af en organiseerde het leger naar Europees model. Mohammed al-Sadik (1859–1882) gaf Tunesië in 1861 een van tevoren door Napoleon III goedgekeurde grondwet, die echter reeds in 1864 buiten werking werd gesteld. Er bleven wrijvingen met Frankrijk bestaan.
Franse periode
In april 1881 vielen Franse troepen vanuit Algerije Tunesië binnen. Zij dwongen Mohammed al-Sadik tot aanvaarding van het Verdrag van Kasser Sa‘id, hetwelk o.m. bepaalde dat hij nominaal heerser van Tunesië bleef. In 1883 werd Ali IV, al-Sadiks opvolger, gedwongen tot het ondertekenen van het Verdrag van Mersa, waarmee Tunesië officieel tot Frans protectoraat verklaard werd. Aangemoedigd door schenkingen van land op grote schaal trokken vele Franse kolonisten naar het land. In 1908 was de Jong-Tunesische beweging opgericht, die opriep tot herstel van het gezag van de bei, in combinatie met enkele democratische hervormingen. In 1920 werd de Destour(= Constitutie)beweging opgericht met als doel het verwezenlijken van een constitutioneel regime met zelfbestuur voor de Tunesiërs. Meningsverschillen tussen de Destour en de Fransen leidden tot rellen en demonstraties, waarna de Destour ten slotte in 1925 verboden werd. In het begin van de jaren dertig kwam de Destour opnieuw naar voren, maar zij raakte al gauw verdeeld in een gematigde en een radicale groep. Deze laatste splitste zich in 1934 onder leiding van Habib Bourguiba af en vormde een nieuwe partij, de Néo-Destour-partij. Zijn aanhangers riepen op tot een uitgebreid politiek verzet tegen de Franse overheersing. De Néo-Destour groeide uit tot een sterke organisatie. In 1938 bereikten de botsingen tussen de Tunesische nationalisten en de Fransen een hoogtepunt, waarna zowel de Destour als de Néo-Destour verboden werd en de noodtoestand van kracht werd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Tunesië tijdelijk onder het bewind van
Vichy.In 1949 keerde Bourguiba, in 1945 gedwongen naar Caïro uit te wijken wegens zijn anti-Franse activiteiten, terug en in april 1950 deed de Néo-Destour nieuwe voorstellen aan de Fransen, die een overdracht van de soevereiniteit en de uitvoerende macht aan de Tunesiërs zouden moeten bewerkstelligen. De door Frankrijk doorgevoerde politieke hervormingen, die een gedeeltelijke tegemoetkoming aan de Tunesische eisen inhielden, stuitten op hevig verzet van de in Tunesië aanwezige Franse kolonisten, die ca. 10% van de bevolking uitmaakten en tegenover wie de Franse regering een toegevende houding aannam. De beoogde politieke hervormingen kwamen tot stilstand, en in 1952 werden grote demonstraties gehouden en braken stakingen uit. Gewelddaden namen snel toe. Bourguiba en verscheidene andere leiders van de Néo-Destour werden gevangengezet, terwijl de Fransen later in het jaar een militair bestuur instelden. In juli 1954 deed de Franse regering nieuwe voorstellen tot een binnenlands zelfbestuur voor Tunesië. Op 2 juni 1955 werd een slotovereenkomst bereikt, die voorzag in binnenlandse autonomie voor Tunesië. De meerderheid van de Néo-Destour-leden steunde de nieuwe overeenkomst met Frankrijk, met dien verstande dat haar uiteindelijke doel, een volledig onafhankelijk Tunesië, zou worden gehandhaafd. Een kleinere groep Néo-Destour-leden onder leiding van Salah ben Youssef keerde zich echter fel tegen de overeenkomst en trachtte de uitvoering ervan te verhinderen, o.m. door terreurdaden zowel tegen de Fransen als tegen de leden van de Néo-Destour die voor de overeenkomst waren. Tijdens een partijcongres van de Néo-Destour in okt. 1955 werd Salah ben Youssef met zijn aanhangers uit de partij gestoten en werd Bourguiba herkozen tot voorzitter van de partij. Salah ben Youssef zette vanuit het buitenland zijn activiteiten tegen Bourguiba en het Tunesische regime voort.
Onafhankelijkheid
Op 20 maart 1956 ten slotte werd de onafhankelijkheid van Tunesië door Frankrijk erkend. In de daaropvolgende maanden werden verkiezingen gehouden, de monarchie afgeschaft en werd Bourguiba tot president van de Tunesische republiek gekozen (25 juli 1957). Er bevonden zich echter nog steeds Franse troepen in het land. Een Frans bombardement op het Tunesisch-Algerijnse grensdorp Sakhiet Sidi Yousuf in febr. 1958 deed Tunesië besluiten de relaties met Frankrijk absoluut te verbreken en volledige terugtrekking van de Franse troepen te eisen. In 1961, toen de Franse troepen tot in de marinebasis Bizerte waren teruggetrokken, eiste Bourguiba opnieuw volledige terugtrekking en maakte hij aanspraak op een Algerijns deel van de Sahara, in Zuidwest-Tunesië. Als gevolg van gevechten rond deze gebieden, waarbij 800 Tunesiërs vielen, zocht Tunesië toenadering tot andere Arabische staten en het Oostblok. Nadat aan de oorlog in Algerije een eind was gekomen, leidden onderhandelingen in 1963 tot terugtrekking van alle nog aanwezige troepen en tot teruggave van grote stukken grondgebied van Franse kolonisten. Verdergaande nationalisaties van land van Franse kolonisten hadden tot gevolg dat Frankrijk zijn hulp stopzette. Er werd besloten tot vergaande landhervormingen en socialistische experimenten. De naam van Bourguiba's partij werd veranderd in Parti Socialiste Destourien. Bourguiba verstevigde de greep op de partij en het land; in 1975 werd hij tot president voor het leven gekozen en namen zijn bevoegdheden verder toe. Zijn campagne om door middel van de dialoog een einde te maken aan het Arabisch-Israëlisch conflict, veroorzaakte een verwijdering van de Arabische staten. De deelname van Tunesië aan de Jom Kippoeroorlog (1973) met een klein contingent troepen bracht enige verbetering in deze betrekkingen, maar Tunesië bleef streven naar een compromisoplossing van het conflict. In de tweede helft van de jaren zeventig nam de ontevredenheid in het land toe. Studenten en de vakbond verzetten zich tegen de regeringspolitiek. In 1977 openden legereenheden het vuur op stakers en demonstranten en hoewel in een aantal gevallen aan de eisen van de stakers werd tegemoetgekomen, bleef premier H. Nouira voorstander van een ‘harde aanpak’. Ministers werden ontslagen en de top van het vakverbond werd gevangen gezet. In febr. 1980 werd Nouira opgevolgd door Mohammed Mzali, die een verzoening met het machtige vakverbond UGTT van Habib Achour nastreefde. Bij de parlementsverkiezingen van nov. 1981 werden naast de Destour-partij meer partijen (o.a. de communisten) toegelaten, maar geen van deze behaalde de kiesdrempel van 5%.
Islamitisch fundamentalisme
In de jaren tachtig manifesteerde zich een islamitisch-fundamentalistische beweging, de Beweging van de Islamitische Tendens (MTI) van Rachid Ghannouchi. De overheid trad hier hard tegen op. De moslim-fundamentalisten waren o.a. betrokken bij ongeregeldheden op universiteiten en bij het grote broodoproer van jan. 1984 (gericht tegen de door het IMF gevraagde intrekking van subsidies op eerste levensbehoeften). President Bourguiba ontsloeg daarop premier Mzali. Op 7 november liet generaal Zine el-Abidine Ben Ali, in oktober 1987 tot premier benoemd, de bejaarde Bourguiba ongeschikt verklaren nog langer het presidentschap te vervullen en nam zelf de macht over. Tegen de inmiddels verboden islamitische beweging Hizb al-Nahdah (Wedergeboorte) werden van 1990 tot 1992 grote processen georganiseerd. In 1993 werd bekend gemaakt dat een terroristische islamitische organisatie was opgerold.
ln de buitenlandse politiek oriënteerde Tunesië zich meer op de Arabische wereld. Tussen 1979 en 1990 was het hoofdkwartier van de Arabische Liga in Tunis gevestigd, de Tunesiër Chedli Klibi werd secretaris-generaal, in l982 vestigde de PLO haar hoofdkwartier bij Tunis.
In de Tweede Golfoorlog nam Tunesië een neutrale houding aan.
Bij de presidentsverkiezingen van maart 1994 werd president Ben Ali met overweldigende meerderheid herkozen en bij de tegelijkertijd gehouden parlementsverkiezingen verwierf het Rassemblement constitutionnel démocratique (RCD) vrijwel alle stemmen. Op de gang van zaken met betrekking tot de verkiezingen en de mensenrechten werd veel kritiek geuit. Tegen het islamitisch fundamentalisme voerde president Ben Ali een harde lijn, wat resulteerde in de arrestatie van talloze fundamentalisten.
De overheid toonde steeds minder respect voor de mensenrechten. In 1997 werden bijna alle westerse correspondenten het land uitgezet; het regime hield naar schatting meer dan 2000 politieke gevangenen vast; de meeste politieke partijen en alle oppositiekranten waren verboden.