Nederlandse Antillen
, autonoom deel van het Koninkrijk der Nederlanden, omvattend twee tot de Kleine Antillen behorende eilandengroepen in het Caribisch gebied, te zamen 800 km2, met 200.000 inw. (250 inw. per km²); hoofdstad: Willemstad op Curaçao. De twee eilandengroepen behoren resp. tot de Benedenwindse Eilanden en Bovenwindse Eilanden en liggen op ca. 900 km afstand van elkaar; de eerste groep omvat de voor de kust van West-Venezuela gelegen eilanden Bonaire (met Klein-Bonaire) en Curaçao; de tweede groep omvat de ten oosten van Puerto Rico gelegen eilanden Saba, Sint-Eustatius en (het zuidelijk deel van) Sint-Maarten (het noordelijk deel behoort tot het Franse overzeese departement Guadeloupe). Tot 1 jan. 1986, toen het de status aparte verkreeg, behoorde het Benedenwindse eiland Aruba ook tot de Nederlandse Antillen.Munteenheid is de Antilliaanse gulden, onderverdeeld in 100 cent.
Fysische geografie
Klimaat
Ondanks de tropische ligging hebben de eilanden het gehele jaar een aangenaam klimaat, dankzij de frisse noordoostpassaat en een geringe relatieve vochtigheid van de lucht. De gemiddelde temperaturen op de verschillende eilanden ontlopen elkaar niet veel. De gemiddelde jaartemperatuur is 27,5 °C; januari is de koelste maand met gemiddelde temperaturen van 28,5 °C overdag en 21,5 °C 's nachts; september is de warmste maand met gemiddelde temperaturen van 30 °C resp. 26 °C. In de ‘wintermaanden’ januari en februari kan het in de hoger gelegen gedeelten van Saba 's avonds echter erg koel zijn. Op de Bovenwindse Eilanden valt gemiddeld 1080 mm regen per jaar, terwijl het jaargemiddelde voor de Benedenwindse Eilanden 580 mm is; de neerslag kan echter van jaar tot jaar aanzienlijke verschillen vertonen.
Plantengroei
De plantengroei van de Benedenwindse Eilanden is karig, voor een groot deel woestijnachtig en voor een tropisch gebied arm aan soorten (ca. 500). Ten onrechte wordt dit veelal aan het droge klimaat geweten
: hoofdschuldige is de mens, die sinds de Nederlandse bezetting in 1634 de bossen achteloos vernietigde en sindsdien door overbeweiding, vooral van geiten en schapen, iedere regeneratie van bos verhinderde. De meest karakteristieke begroeiing is het cactusstruweel, bestaande uit hoge, zuilvormige cactussen en Opuntia-soorten, met verspreide lage doornstruiken en kale bodem. Deze vegetatie komt vnl. voor op verlaten plantagegrond op diabaasgesteente. De climaxvegetaties en de daarvan af te leiden complexen vallen uiteen in twee reeksen: de ‘seizoenformaties’, kenmerkend voor diabaas, en de droge, altijdgroene formaties, kenmerkend voor kalkgrond. De relatief meest oorspronkelijke vegetatie van de eerste groep is een laag, dicht, 3–10 m hoog bos met enkele daar bovenuit rijzende hogere bomen: Bursera, Spondias, Tabebuia of Bumelia. Dit bos vindt men vnl. op Curaçao. Men kan hiervan een reeks afleiden met toenemende degeneratie: doornbos met dividivi en wabi (Acacia tortuosa), cactus-doornstruweel, cactusstruweel, Croton-Lantana-Cordia-struweel en woestijn. Het relatief minst gestoorde type van de droge, altijdgroene formaties is het droge, altijdgroene bos met harde, leerachtige bladen, o.a. bestaande uit Coccoloba diversifolia, Haematoxylon brasiletto en Bourreria succulenta. Hiervan is af te leiden een reeks van doornbos via droog, altijdgroen struweel Croton-Lantana-Cordia-struweel en kustheggen tot karige rotsbegroeiing langs de kust.De plantengroei van de Bovenwindse Eilanden is eveneens sterk door de mens beïnvloed, maar toch minder gedegradeerd. De hogere neerslag en luchtvochtigheid, vooral op grotere zeehoogte, is voorts een gunstige factor. De flora's van de drie eilanden verschillen onderling veel sterker dan die van Bonaire en Curaçao. In totaal komen op de Bovenwindse Eilanden ca. 700 soorten hogere planten voor. De top van de berg van Saba is begroeid met een verarmd atlantisch berg-neveldwergwoud, tot 6 m hoog; in andere vorm komt dit ook voor op Sint-Eustatius. Lager op de helling, tussen 775 en 825 m, draagt de berg van Saba een palmwoud van Euterpe globosa. In de diepe ravijnen van Saba komt een relict van het tropisch regenwoud voor, met Myrcia citrifolia (8–10 m hoog) als veelvuldigste boomsoort, rijk aan boomvarens en andere varens. Overigens treft men op Saba vnl. secundair regenbos en Croton-doornstruweel aan. Sint-Eustatius draagt in de montane zone van The Quill een bergbos van Pisonia fragrans en Myrcia cytrifolia met een dichte kruidondergroei van Anthurium en Begonia. Palmen en regenwoud zijn er niet bekend, daarentegen wel altijdgroen seizoenbos en loofverliezend seizoenbos. Het noorden van het eiland is bedekt met secundair bos. Doornbos en Croton-doornstruweel bedekken de lagere hellingen van The Quill. Sint-Maarten was voorheen intensiever in cultuur, zodat er nauwelijks enige relicten van de oorspronkelijke begroeiing worden aangetroffen. Het secundaire bos is zeer gevarieerd van samenstelling. De laag gelegen terreinen zijn geheel bedekt met doornbos, waarin Acacia- en Opuntia-soorten opvallen.
Behalve deze climaxreeksen komen zowel op de Bovenwindse als op de Benedenwindse Eilanden ook edafische formaties voor, zoals het
mangrovebos langs de kust, het op verschillende grondsoorten voorkomende bos van Hippomane mancinella (manzanilla) en strand en duinen met Ipomoea pes-caprae en een duinstruweel. De kustvegetaties zijn in het bijzonder op Sint-Maarten goed ontwikkeld.Dierenwereld
De fauna is zeer verarmd, enerzijds door de geringe oppervlakte van de eilanden en anderzijds door het aride klimaat; daar komt bij dat de bevolkingsdruk groot is en, speciaal voor de Bovenwindse Eilanden, de ligging ver van het continent. De dierenwereld van de Nederlandse Antillen reflecteert verwantschap met die van het Zuid-Amerikaanse continent; dit geldt uiteraard in veel mindere mate voor de fauna van de Bovenwindse Eilanden, die een meer Antilliaans karakter heeft. De afwezigheid van echte bossen is verantwoordelijk voor het ontbreken van talrijke diergroepen. Zoogdieren zijn uiterst spaarzaam vertegenwoordigd
: het Curaçaose hert is wellicht niet geheel autochtoon; mangoeste (Sint-Maarten), bruine en zwarte rat en huismuis zijn ingevoerd. Ten minste 15 soorten vleermuizen, een kleine muis en het Curaçaose konijn (Curaçao) zijn echter inheems. De vogelwereld is wat rijker, ook al omdat de eilanden als pleisterplaatsen voor trekvogels uit Noord-Amerika fungeren.Op de Benedenwindse Eilanden zijn ca. 150 soorten waargenomen, waarvan minder dan 50 als broedvogel; deze getallen zijn voor de Bovenwindse Eilanden resp. 80 en ca. 30. De broedvogels vertegenwoordigen goeddeels groepen die in Zuid-Amerika inheems zijn, o.a. amazonepapegaaien. Zeer belangrijk is de broedplaats van de rode flamingo op Bonaire; deze kolonie behoort tot de grootst bekende voor deze soort en leidt een enigszins marginaal bestaan aan de rand van de zoutpannen; de aantallen broedvogels kunnen sterk wisselen (maximaal tot 10
.000 vogels). Ook het aantal reptielen is zeer beperkt; onder de weinige hagedissen komen enkele endemische vormen voor, wat niet het geval is met de schaarse slangen. Amfibieën (kikvorsen) zijn eveneens zeer beperkt in aantal en echte zoetwatervissen ontbreken geheel, wat uiteraard samenhangt met de schaarste aan open zoet water. Van de ongewervelde dieren zijn de meeste groepen maar weinig talrijk vertegenwoordigd, hoewel het endemisme juist onder deze vaak weinig beweeglijke dieren soms zeer uitgesproken kan zijn (o.a. landslakken en insecten). De zeefauna in de ondiepe wateren rond de eilanden is geheel tropisch van karakter en zeer rijk aan soorten in vrijwel alle diergroepen. Speervisserij en vangst van aquariumvissen hebben de visstand hier en daar veel schade gedaan, maar op een aantal plaatsen zijn nu beschermende maatregelen van kracht. Op de Nederlandse Antillen is een krachtige impuls tot natuurbescherming uitgegaan van het Caraïbisch Marien Biologisch Instituut (CARMABI, Curaçao, sinds 1955), zowel in de kustwateren als op het land, daarin gesteund door de STINAPA (Stichting Nationale Parken Nederlandse Antillen). Een en ander heeft geleid tot het instellen van een aantal reservaten.Bevolking
De bevolkingssamenstelling vertoont een grote verscheidenheid, met dien verstande dat de Afro-Amerikaanse component overheersend is (ca. 90%); het aantal blanken is verhoudingsgewijs zeer klein (minder dan 10%). De bevolking nam tussen 1985 en 1995 met gemiddeld 1,0% per jaar toe. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte is 77 jaar.De officiële taal is Nederlands, daarnaast worden Engels en Spaans gesproken; de omgangstaal van de bevolking op de Benedenwindse Eilanden is het
Papiamento, op de Bovenwindse Eilanden het Engels.De bevolking van Bonaire en Curaçao is naar godsdienst overwegend rooms-katholiek, die van de andere eilanden zijn in belangrijke mate methodisten en zevendedagadventisten. In totaal is ca. 80% van de bevolking van de Nederlandse Antillen rooms-katholiek (bisdom Willemstad) en 8% protestants (waarvan een derde Nederlands Hervormd en een derde methodistisch). Er zijn kleine minderheden van joden, hindoes en moslims.
Bestuur en samenleving
De staatsinrichting is krachtens het
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden van 1954 geregeld in een Staatsregeling, maar zij stond eind jaren negentig ter discussie. De Koning der Nederlanden wordt als hoofd van de regering van de Nederlandse Antillen vertegenwoordigd door een door hem benoemde gouverneur. Deze is tegelijkertijd orgaan van het Koninkrijk en orgaan van de Nederlandse Antillen. Zijn bevoegdheden als orgaan van het Koninkrijk worden geregeld bij of krachtens het Statuut. De gouverneur oefent de regering uit samen met de Raad van Ministers, waarvan de (in totaal acht) leden door hem benoemd worden en aan de Staten (het parlement) verantwoordelijk zijn. Voorts staat hem een Raad van Advies ter zijde. De wetgevende macht wordt uitgeoefend door de gouverneur met de Staten (22 leden: 14 van Curaçao, 3 van Bonaire, 3 van Sint-Maarten, 1 van Saba en 1 van Sint-Eustatius), voor vier jaar bij algemeen kiesrecht gekozen en vertegenwoordigend het gehele volk van de Nederlandse Antillen De regelende bevoegdheden van de organen van de Nederlandse Antillen hebben alleen betrekking op zgn. Landsaangelegenheden. Het Statuut voor het Koninkrijk bepaalt wat Koninkrijksaangelegenheden zijn.De Nederlandse Antillen zijn administratief verdeeld in vijf Eilandgebieden, t.w. Bonaire, Curaçao, Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten.
Economie
De komst op Curaçao in de jaren twintig van de aardolie-industrie (raffinage van Venezolaanse olie) leidde tot een omwenteling waarbij de primaire sector zijn betekenis nagenoeg verloor en de secundaire en tertiaire een allesoverheersende positie gingen innemen. De ver doorgevoerde automatisering heeft echter sinds het eind van de jaren vijftig een toenemende werkloosheid tot gevolg gehad en daarmee samenhangend sociale en politieke onrust. In 1985 werd de verlieslijdende Shell-raffinaderij bij Willemstad overgenomen door de Nederlandse Antillen die de exploitatie in handen legden van de Venezolaanse staatsaardoliemaatschappij. Om de eenzijdige economische basis te verbreden en meer werkgelegenheid te creëren, is de vestiging van andere industrieën gestimuleerd, is de dienstverlening uitgebouwd (o.m. werden containerhavens aangelegd en een droogdok voor schepen tot 100
.000 ton) en werden off-shore financial banking (brievenbusmaatschappijen) en toerisme bevorderd. In 1997 werd met hulp van het IMF een structureel aanpassingsprogramma ter gezondmaking van de economie opgesteld. Doelstellingen waren verlaging van het financieringstekort, daling van de overheidsuitgaven, vermindering van de werkloosheid (in 1997 14%) en stimulering van toerisme, financiële dienstverlening, olieraffinage en transport. Belemmerende factoren bij het industrialisatiebeleid zijn de grote geografische spreiding van de eilanden, decentraliserende tendensen in de Antilliaanse samenleving ten gevolge van insulair particularisme en de geringe natuurlijke hulpbronnen. De belangrijkste handelspartners van Curaçao zijn Venezuela, de Verenigde Staten, Nederland en de EG.Curaçao beschikt over een uitstekende zeehaven en heeft een druk scheepvaartverkeer. De belangrijkste haven is Willemstad.
In de economie van de andere eilanden, in het bijzonder Sint-Maarten en Bonaire, speelt het toerisme de belangrijkste rol (goed voor 25% van het bnp, op St.-Maarten zelfs voor 80%).
Het wegennet van de 5 eilanden is relatief goed en meet 950 km. Curaçao, Bonaire en Sint-Maarten hebben internationale luchthavens; Saba en Sint-Eustatius beschikken over een lokaal vliegveld. De verbindingen tussen de eilanden onderling worden voor een deel onderhouden door de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij (ALM).
Geschiedenis
De eilanden die thans de Nederlandse Antillen en Aruba vormen, werden reeds op het einde van de 15de eeuw ontdekt door de Spanjaarden (Sint-Maarten in 1493 door Columbus, Curaçao in 1499 door Alonso de Ojeda). Van kolonisatie was vooralsnog geen sprake.
Spaanse kolonisatie
Eerst in 1527 nam Juan de Ampués de Benedenwindse Eilanden voor Spanje in bezit. De Bovenwindse Eilanden werden pas in de 17de eeuw gekoloniseerd. De Spaanse positie in al deze gebieden werd al spoedig bedreigd door Engelsen, Fransen en Nederlanders. Onmiddellijk na het aflopen van het Twaalfjarig Bestand in 1621 werd de West-Indische Compagnie opgericht, die van de Staten-Generaal een octrooi voor handel en kolonisatie op de westkust van Afrika en beide kusten van Amerika ontving. Het werkkapitaal vond men echter voor een (belangrijk) deel in de opbrengst van kaapvaarten. Na het kapen van een vnl. met edele metalen bevrachte Spaanse retourvloot door Piet Heyn (1628) kon Pernambuco in Brazilië veroverd worden (1630/1631). Daarmee was men in het bezit van een steunpunt, vanwaar uit kaapvaarten naar de Grote en de Kleine Antillen konden worden ondernomen.
Nederlandse kolonisatie
Na Tobago (1628) en Sint-Maarten (1631), waarvan in 1633 weer afstand moest worden gedaan, werd in 1634 Curaçao door Johannes van Walbeeck bezet en, om de vijand niet al te dicht in de buurt te hebben, ook nog Aruba en Bonaire.
In 1644 werd besloten de vestiging in Noord-Amerika (Nieuw-Nederland) met die op de Benedenwindse Eilanden tot één bestuursgebied te verenigen. Tot directeur-generaal werd benoemd Petrus Stuyvesant (1646). De Vrede van Münster (1648) bevestigde Nederland in het bezit van de eilanden.
Sedertdien was Curaçao een (belangrijk) depot voor de handel met Spaans Amerika. Vooral smokkel- en slavenhandel brachten welvaart. De Staten-Generaal verklaarden Curaçao in 1675 tot vrijhaven voor schepen van alle naties. Gedurende de Amerikaanse Vrijheidsoorlog bloeide de handel, in het bijzonder op Curaçao en op Sint-Eustatius, waaraan echter een einde kwam, toen in 1780 de Vierde Engelse Oorlog begon. Bonaire, gunstig gelegen aan de zeilroutes naar Noord-Amerika en Europa, werd alleen als Compagniesplantage (zoutwinning) geëxploiteerd.
Tijdens de Napoleontische oorlogen werden de Benedenwindse Eilanden meestentijds door de Engelsen bezet. De Bovenwindse Eilanden werden achtereenvolgens door de Fransen (1795–1801) en de Engelsen (1802–1816) bezet. Het was een allesbehalve welvarend gebied dat Nederland in 1816 terugkreeg. Koning Willem I had grote plannen met de West-Indische koloniën; hij wilde Curaçao ‘tot een middelpunt van de algemeene correspondentie tusschen Amerika en Europa maken’ (1825). In dit streven paste de instelling van de vrijhaven Curaçao in 1827. Getracht werd met overheidssteun landbouw, veeteelt en zoutwinning op Curaçao en Bonaire tot bloei te brengen. De rol van Curaçao was echter uitgespeeld en Bonaire en Aruba waren van even weinig belang als vroeger. Commissaris-generaal J. van den Bosch poogde daarin verbetering te brengen. Daartoe kwam het echter niet, ook niet na de slavenemancipatie (1863).
Vestiging Koningklijke Shell
In de aanvang van de Eerste Wereldoorlog, bij de doorgraving van de Landengte van Panama, vestigde de Koninklijke Shell Groep, daartoe aangelokt door het door Nederland gegarandeerde stabiele politieke klimaat, op Curaçao een raffinaderij; de plotselinge en fenomenale ontwikkeling van deze industrie – in 1924 vestigde de Lago Oil and Transport Company zich op Aruba – luidde een nieuw tijdperk in voor Curaçao en de andere eilanden.
Relatie tot Nederland
Van 1828 tot 1845 werden de Nederlandse Antillen gezamenlijk met Suriname bestuurd door een gouverneur-generaal van de Nederlandse West-Indische bezittingen. Sedert 1845 vormden zij een afzonderlijk gouvernement, naar het hoofdeiland Curaçao genoemd. Eerst bij de Nederlandse grondwetsherziening van 1948 werd de naam Nederlandse Antillen ingevoerd. In 1937 was ter vervanging van het Regeringsreglement van 1865 een nieuwe Staatsregeling tot stand gekomen, die aan de ingezetenen enige invloed op het bestuur toekende.
Na de Tweede Wereldoorlog, gedurende welke geallieerde troepen op de Nederlandse Antillen gelegerd waren, werd deze regeling als volstrekt onvoldoende gevoeld. In 1948 werden de bevoegdheden van de gouverneur beperkt, die van de Staten uitgebreid, terwijl op 7 febr. 1951 een geheel nieuwe Landsregeling in werking trad, waarbij de Nederlandse Antillen een verantwoordelijk ministerie ( ‘Regeringsraad’ geheten) kregen. Ten slotte bracht het
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (1954) aan dit Rijksdeel volledig zelfbestuur binnen het verband van het Koninkrijk der Nederlanden. In 1955 werd de Landsregeling vervangen door een nieuwe Staatsregeling. In de jaren waarin de nieuwe staatsrechtelijke positie van de Nederlandse Antillen gegrondvest werd, trad het oude antagonisme tussen Aruba en Curaçao sterk naar voren. Op eerstgenoemd eiland bestond een stroming die het los wilde maken uit het verband van de Nederlandse Antillen. Door een Eilandenregeling in uitzicht te stellen, waarbij aan de afzonderlijke Eilandgebieden ruime autonomie werd verzekerd, wist de Nederlandse regering het conflict tijdelijk bij te leggen.Sociale onlusten Curaçao
In het voorjaar van 1969 vonden op Curaçao onlusten plaats. Oorzaken waren o.m. het verschil tussen de aardolie-industrie en de andere economische sectoren wat betreft het loonpeil, de omvangrijke structurele werkloosheid, de welvaartsverschillen binnen de Antilliaanse samenleving en de raciale achterstelling van de Afro-Amerikaanse bevolking. De sociale beweging werd geleid door de Frente Obrero onder leiding van Wilson ( ‘papa’) Godett. Uit Nederland werden 250 mariniers overgevlogen, die een eind maakten aan het oproer.
Status aparte voor Aruba
De onlusten van 1969 leidden tot een verdere emancipatie van de zwarte bevolking, alsmede tot een herbezinning over de staatkundige toekomst van de Nederlandse Antillen en een versterking van het separatisme op Aruba. Op dit eiland werd in 1970 de Moviemento Electoral Pueblo (MEP) onder leiding van
Betico Croes opgericht. Deze partij streefde naar een aparte status voor Aruba, los van het Antilliaanse staatsverband. In 1977 liet Croes een referendum houden, waarbij 83% van de kiezers zich uitsprak voor afscheiding. In 1979 werd een commissie geïnstalleerd, die de toekomstige staatkundige verhouding met Nederland moest bestuderen. De financiële afhankelijkheid van Nederland bleek het grootste struikelblok voor een eventuele Antilliaanse onafhankelijkheid. In een Ronde Tafel Conferentie in 1983 werd uiteindelijk door alle partijen (Nederland, de Nederlandse Antillen-van-vijf, Aruba) toegestemd in de afscheiding van Aruba. Aan deze ‘status aparte’, die op 1 jan. 1986 is ingegaan, werd echter door Nederland de voorwaarde verbonden dat het eiland binnen 10 jaar onafhankelijk zou worden. Een termijn voor de onafhankelijkheid van de Nederlandse Antillen-van-vijf werd niet expliciet genoemd.Sindsdien hebben de gedachten over de toekomstige status van de eilanden zich (in plaats van onafhankelijkheid) meer verplaatst in de richting van een gemenebest met vier partners (t.w. Nederland; Curaçao en Bonaire; Aruba; en de Bovenwindse Eilanden). In 1992 greep de Koninkrijksregering in op Sint-Maarten met een Algemene Maatregel van Rijksbestuur, waardoor het eilandbestuur in feite onder curatele werd gesteld.
Relatie tussen Nederland en overzeese rijksdelen weer ter discussie
De parlementsverkiezingen van febr. 1994 werden gewonnen door de eind 1993 opgerichte Partido Antias Restructura (PAR). PAR-leider Miguel Pourrier werd de nieuwe premier van een regering, die behalve op de PAR ook steunde op de Moviemento Antias Nobo (MAN) van Curaçao en de grootste partijen van Bonaire, Sint-Maarten, Sint-Eustatius en Saba. Bij de verkiezingen voor de eilandraden (april en mei 1995) behaalde op Bonaire de Democratische Partij de absolute meerderheid, terwijl op Sint-Maarten de Patriotic Alliance (SPA) 5 van de 10 zetels veroverde. Eind okt. tekenden de SPA en de Democratische Partij een bestuursakkoord, waardoor zij een meerderheid verkregen in de eilandraad. Op Curaçao vormde de PAR (8 van de 21 zetels) een coalitie met de MAN (6 zetels).
In 1996 werd een kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba ingesteld, die o.a. ten doel had de drugssmokkel in het Carabisch gebied tegen te gaan. In hetzelfde jaar werd men het erover eens dat het uit 1954 daterende Koninkrijksstatuut, waarin de relatie tussen Nederland en de overzeese rijksdelen is geregeld, aan herziening toe was. In 1997 bereikten de Antilliaanse regeringspartijen overeenstemming over enkele staatkundige hervormingen, zoals de rechtstreekse verkiezing van de minister-president en de instelling van een Eilandenkamer om geschillen tussen de eilanden en de landsregering te behandelen. Ook werd voorzien in de mogelijkheid om nationale politieke partijen op te richten. Tot dan toe konden de kiezers alleen steunen op politici die op hun eigen eiland kandidaat stonden.