
|
Egypte,
officieel:
Jumhuriyat Misr al-Arabiya (= Arabische Republiek Egypte), republiek in
Noordoost-Afrika, 1.001.449
km2,
met (schatting 1996) 66,3 miljoen inw. (66 inw. per km2);
hoofdstad:
Caïro.
Munteenheid is het Egyptische pond (E£), onderverdeeld in 100 piaster. Naast de
officiële bestaat er ook een toeristenkoers. Nationale feestdag is 23 juli, de
dag van de revolutie van 1952.
|
|
Fysische geografie
Landschap
Egyptes grondgebied bestaat haast volledig uit woestijn. Het bewoonbare gebied is slechts 55
.000 km² groot en omvat de vallei en de delta van de Nijl, de kustgebieden langs de Middellandse en de Rode Zee en een paar oasen in de Westelijke Woestijn. Fysisch-geografisch kan het land in vier gebieden worden verdeeld: het Nijlgebied, de Westelijke Woestijn, de Oostelijke Woestijn en het Sinaïgebied.Het Nijlgebied, dat zich over 1250 km uitstrekt van de Soedanese grens tot de Middellandse Zee, is een vlak landschap, smal en bochtig. Vanaf de Soedanese grens tot ongeveer 320 km stroomafwaarts gaat de smalle Nijlvallei dwars door het Nubische zandsteen. Ten gevolge van de bouw van de Hoge Dam bij
Aswan heeft zich hier het Nassermeer gevormd. Veertig kilometer ten noorden van Aswan is de alluviale vlakte ongeveer 16 km breed en zij wordt nog breder vanaf Isna, waar de Nijl tussen witte, steile kalksteenoevers stroomt. Van Aswan tot Assioet spreekt men van Opper-Egypte, daarna tot Caïro van Midden-Egypte. Bij Caïro begint de Nijldelta, waar het grootste gedeelte van de Egyptische bevolking woont (ook wel Neder-Egypte genoemd), een driehoekig alluviaal gebied, dat zich uitstrekt over een afstand van ca. 160 km van Alexandrië in het westen naar Port Said in het oosten. Onmiddellijk landinwaarts vanaf de kust bevindt zich een zone met moeras en brakke lagunes, waarvan gedeelten worden drooggelegd voor de landbouw.Ten westen van het Nijldal ligt de Westelijke of
Libische Woestijn (ongeveer 75% van het totale grondgebied), een uitermate droog plateau. Grote oasen komen voor in de depressies waar zoet water wordt aangeboord. Daar woont ook de enige woestijnbevolking. De Kattaradepressie, tot 130 m onder de zeespiegel, is te zout voor menselijke bewoning.De Oostelijke of
Arabische Woestijn strekt zich uit van de Nijlvallei tot de Rode Zee. Evenwijdig met de kust ligt een ruwe bergketen, met toppen van meer dan 1500 m: Dzjebel Sjajib, de hoogste, reikt tot 2187 m. De afwatering van de bergen heeft een netwerk van wadi's geschapen in de zachtere sedimentaire hooglanden aan weerszijden van de bergketen. Hier zwerven nomadische herders, die aan veeteelt doen dankzij het water uit de hier en daar voorkomende bronnen en verborgen holtes of dat van onder de droge beddingen van de wadi's naar boven wordt gehaald.Het schiereiland
Sinaï wordt door het Suezkanaal en de Golf van Suez gescheiden van de Oostelijke Woestijn en de Nijldelta. Dit onregelmatige, driehoekige plateau bereikt zijn grootste hoogte in het zuiden, waar Dzjebel Katherina de hoogste top van Egypte (2641 m) vormt.Klimaat
Egypte ligt binnen de zone van de tropische woestijnen en heeft, het kustgebied van de Middellandse Zee uitgezonderd, een droog klimaat.
Het weer is erg standvastig; er zijn twee duidelijk te onderscheiden seizoenen
: de hete zomer (mei–okt.) en de koelere winter (november–april). In de woestijn overschrijdt de temperatuur in de zomer overdag de 38 °C, maar de hitte ontsnapt 's nachts in de wolkenloze hemel, waarbij de temperatuur met 10 à 15 °C daalt. De temperatuur in de winter ligt aanzienlijk lager: het gemiddelde in januari is 12 à 16 °C. De neerslag is zeer gering. In de lente trekken nu en dan depressies over Egypte, die de chamsin, een droge verzengende wind, bekend door zijn zandstormen, met zich brengen. In tegenstelling tot het binnenland kent de Middellandse-Zeekust regenval in de winter (100 à 200 mm). De kust heeft bovendien zachtere winters en lagere zomertemperaturen dan het binnenland, door het matigende effect van de zee.Plantengroei en dierenwereld
![]() |
Schaars struikgewas schiet wortel op de wadigronden in de woestijn, vooral ten oosten van de Nijl; het grootste deel van de woestijn is echter zonder vegetatie. Woestijnplanten omvatten ruw gras, tamarisken en dwergmimosa's. Dadelpalmen bloeien in het Nijldal en in de oasen, waar men het grondwater dicht bij de oppervlakte aantreft. Langs de Nijl groeit papyrus. Tot de grote woestijnzoogdieren behoren gazellen, hyena's en jakhalzen. Ichneumons leven in de delta. Bij de vogels zijn wouwen, haviken en gieren de meest voorkomende. De Nijl en de deltameren trekken watervogels zoals kraanvogels, ijsvogels en lepelaars aan. In het Sinaïgebergte komen steenbokken en panters zeldzaam voor. Ondanks de overbevolking zijn de woestijngebieden hier en daar nog ongerept.
|
Bevolking
Samenstelling en spreidingDe bevolking (66, 3 miljoen in 1996) is voor 90% van Oost-Hamitische afkomst, maar is in de loop der tijden in sociaal, cultureel en politiek opzicht geheel gearabiseerd. Andere kleine bevolkingsgroepen zijn de
Berbers (nomaden), de Nubiërs (in het zuiden) en de Kopten (in Opper-Egypte). Er is een snelle bevolkingsgroei (2, 8% in de periode 1973–1989, 2,3% in 1993) die een direct gevolg is van een hoog geboortecijfer (31‰ in 1994) en een dalend sterftecijfer (9,8‰). De regering propageert geboortebeperking. 40% van de bevolking is jonger dan 15 jaar en slechts 3% is ouder dan 65 jaar. De levensverwachting bij geboorte is ruim 58 jaar voor mannen, 60 jaar voor vrouwen. Bijna 95% van de totale bevolking woont in het Nijldal en de delta (slechts 3,5% van het grondgebied). De bevolkingsdichtheid in het bewoonde en in cultuur gebrachte land bedraagt meer dan 1600 inw. per km2 (landelijk: 66 inw. per km2). Een bijkomend probleem vormt de toenemende urbanisatie met Caïro (Groot Caïro ruim 12 miljoen inw.), Alexandrië (3 miljoen inw.) en Gizeh (3 miljoen inw.) als grootste stedelijke concentraties (in sommige stadsdelen van Caïro en Alexandrië bedraagt de bevolkingsdichtheid 140.000 inw. per km2). Door de bouw van steden in de woestijn en de ontwikkeling van de Suezkanaalzone poogt de regering de bevolkingsdruk in het Nijldal te verlichten. Enkele miljoenen Egyptenaren werken als ‘gastarbeider’ in andere Arabische landen.Taal
De officiële taal is het Egyptisch-Arabisch, dat door ongeveer 98% van de bevolking wordt gesproken. Naast deze taal komen het Nubisch, het Koptisch en het Berbers nog wel voor. Er wordt ook Engels en Frans gesproken door ontwikkelde Egyptenaren.
Religie
|
93% van de Egyptische bevolking belijdt de soennitische islam,
de officiële staatsgodsdienst. De vrije uitoefening van christendom en jodendom
wordt echter in de grondwet gegarandeerd. De grootste religieuze minderheid
vormen de Kopten
(6%). Er zijn vaak geschillen tussen de Kopten en de islamieten. Behalve de
Kopten zijn er ongeveer een kwart miljoen andere christelijke
minderheidsgroeperingen, waartoe onder andere Grieks-orthodoxen,
rooms-katholieken, Armeens-orthodoxen en protestanten behoren. In de grote
steden bevinden zich kleine joodse gemeenschappen.
|
|
Bestuur en samenleving
StaatsinrichtingEgypte is een presidentiële republiek met een democratisch, socialistisch systeem, gegrondvest op ‘de band tussen de werkende mensen, de historische erfenis van het land en de geest van de islam’ (vastgelegd in de grondwet van 1964, herzien in 1971 en 1980). Er is vrijheid van godsdienstoefening, meningsuiting, vergadering en onderwijs. De wetgevende macht berust bij een parlement met twee Kamers. De Volksvergadering bestaat uit 454 leden, van wie 444 gekozen worden in algemene verkiezingen, en de overige 10 door de president worden benoemd. De zittingsduur is vijf jaar. Daarnaast bestaat de Consultatieve Raad (Shura) met 210 leden, van wie er 57 door de president worden benoemd en de rest wordt gekozen. De uitvoerende macht berust bij de president en bij het kabinet. De president wordt voor een termijn van zes jaar gekozen door het parlement. Deze keus moet bevestigd worden door een referendum. De president benoemt één of meer vice-presidenten en de ministers.
Volwassen Egyptenaren hebben kiesrecht; men is om dit recht uit te oefenen verplicht zich in te laten schrijven in het kiesregister, maar daar een burgerlijke stand en controle ontbreken, is de opkomst bij verkiezingen gewoonlijk laag. Bij de parlementsverkiezingen bestaat een kiesdrempel van 8%.
Administratieve indeling
Egypte is bestuurlijk verdeeld in 26 gewesten (of gouvernementen). Aan het hoofd van de gewesten, die onderverdeeld zijn in districten en gemeenten, staat een gouverneur, benoemd door de president.
Aansluiting bij internationale organisaties
Egypte is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties en van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE). In 1979 werd Egypte vanwege het in dat jaar gesloten vredesverdrag met Israël, eenzijdig uit de Arabische Liga gestoten en de zetel van deze organisatie werd overgeplaatst van Caïro naar Tunis. Terzelfder tijd trof Egypte een zelfde lot om dezelfde reden als lid van de Raad voor Arabische Economische Eenheid. Deze organisatie verplaatste haar zetel van Caïro naar Amman. Binnen de Organisatie van Arabische Olie Exporterende Landen (OAPEC) werd Egypte geschorst. In 1989 werd Egypte formeel weer tot deze drie organisaties toegelaten. Voorts is Egypte lid van de Islamitische Ontwikkelingsbank, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en de Islamitische Conferentieorganisatie.
Politieke organisatie, partijwezen en vakbeweging
Van 1957 tot 1976 was de Arabische Socialistische Unie de enige wettelijk toegestane politieke partij met de president als hoofd. In 1978 formeerde president Sadat uit de later ontbonden Arabische Socialistische Unie zijn Nationale Democratische partij (NDP), die sindsdien het Egyptische politieke leven beheerst. In 1983 werd de Neo-Wafdpartij heropgericht als opvolger van de tussen 1919 en 1952 opererende nationalistische Wafdpartij. Tussen 1980 en 1987 kon ook de Moslim Broederschap (Ikhwan), in coalitie met andere partijen, aan de verkiezingen deelnemen. Zij is echter niet gelegaliseerd en wordt van regeringswege tegengewerkt. Overkoepelende vakorganisatie is de Egyptische Arbeidersfederatie (ETUF), waarbij meer dan 20 bonden zijn aangesloten (totaal 5 miljoen leden). De grootste bonden zijn die van de arbeiders in de agrarische sector, de lichte industrie, de bouwnijverheid, het transportwezen en de textielindustrie. De overheid heeft een sterke invloed op de activiteiten van de vakbeweging. Stakingen en uitsluitingen zijn verboden.
Economie
AlgemeenDe Egyptische economie wordt de laatste jaren gekenmerkt door het loslaten van het Arabisch socialisme onder Nasser (een door de staat geleid economiesysteem) en het langzamerhand overgaan naar een vrijere economie ( ‘politiek van de economische opening’) onder Sadat en Moebarak. Nationalisaties werden teruggedraaid en buitenlandse investeringen aangemoedigd. Maar een verbetering van de economische toestand trad niet in. Door de sterke bevolkingsgroei is het tekort aan arbeidsplaatsen steeds nijpender geworden. In 1994 was 20% van de beroepsbevolking werkloos en werkten ca. 2 miljoen Egyptenaren in het buitenland. Egypte kampt met een topzwaar ambtenarenapparaat. Hoewel ongeveer
1/3 deel van de beroepsbevolking in 1998 werkzaam was in de landbouw, was de opbrengst van die sector relatief laag (18% van het bnp). De inflatie bedroeg in de periode 1985–1998 16,4%.Landbouw, veehouderij en visserij
De landbouw is nog steeds de belangrijkste sector van de economie, zowel wat betreft werkgelegenheid alsook door zijn aandeel in de Egyptische export (vooral katoen). In 1962 werd het grondbezit in principe beperkt tot 100 feddans (1 feddan = 0,42 ha), maar in 1981 had 95% van alle landbouwbedrijven niet meer dan 5 feddan; het gemiddelde is slechts 0,9 feddan. Door verbetering van irrigatie- en drainagetechnieken (o.a. door Nederlandse ontwikkelingshulp en kennis) is de beschikbare cultuurgrond uitgebreid tot ca. 6 miljoen feddans (= ruim 36
.000 km2, ongeveer de oppervlakte van Nederland), zo’n 4% van het gehele land, die twee, soms drie oogsten per jaar opleveren. Ook is de productieopbrengst per feddan (die tot de hoogste ter wereld behoort) toegenomen, maar door de snelle bevolkingsgroei heeft dit niet geleid tot een vermindering van de voedselimport. Ook is de uitbreiding van de cultuurgrond onvoldoende. Sinds in 1970 de Hoge Dam bij Aswan werd voltooid, kon het agrarisch areaal vergroot worden met ca. 5000 km2, maar veel cultuurgrond ging ook weer verloren door stedenbouw en verzilting. Egypte is 's werelds belangrijkste leverancier van langvezelige katoen (2,8 cm en langer) en de zesde katoenproducent van de wereld. De rijstverbouw wordt steeds belangrijker. Egypte heeft de grootste rijstproductie van Afrika en neemt de tweede plaats in bij het verbouwen van maïs en rietsuiker.Verder worden nog granen, groenten, (citrus)vruchten en aardappelen verbouwd.
De veehouderij levert een kwart van de landbouwbijdrage aan het bruto nationaal product. De meest voorkomende soorten groot vee (vnl. gebruikt voor melk- en vleesproductie, maar ook als last- en trekdier) zijn runderen, buffels, schapen en in mindere mate ezels en geiten. Toch moeten veel zuivelproducten en vlees ingevoerd worden. Ook worden kamelen gehouden.
Door de bouw van de Aswandam is de visvangst in de Middellandse Zee (sardines, garnalen) verloren gegaan. De binnenvisserij (o.a. in het Nassermeer, achter de dam) levert 80% (1986) van de totale vangst.
Mijnbouw
De aardolie-industrie is van groot belang voor de economie. De voornaamste velden liggen in de Golf van Suez, in de Sinaï en in de gebieden van de meer recente vondsten
: de velden van El Alamein, Yidma, Aboe Gharadek en al-Razzak in de Westelijke Woestijn. In 1968 is Egypte een olie-exporterend land geworden. De productie was 22 miljoen ton in 1977, 34 miljoen in 1980 en voor 1987 was een productie van 63 miljoen ton gepland, maar door de daling van de olieprijzen en hoge binnenlandse consumptie vielen de opbrengsten tegen. Olieraffinaderijcentra zijn Alexandria en Caïro. Er is een netwerk van pijpleidingen om de olie te vervoeren. De pijpleiding met de grootste capaciteit is die van Suez naar de Middellandse Zee.In 1974 zijn er aardgasvelden ontdekt bij Aboe Madi in de Nijldelta. Andere velden liggen bij Aboe Gharadek in de Westelijke Woestijn (1976) en in Aboekir, vlakbij Alexandrië (1977). De gasreserves worden op 340 miljard m
3 geschat. Aan uitvoer wordt pas gedacht wanneer het land zelf voor minstens 40 jaar genoeg heeft. Andere belangrijke delfstoffen zijn fosfaat, ijzer, zout en mangaan, grotendeels onontgonnen.Energievoorziening
![]() |
Het produceren van voldoende energie is een van de belangrijkste
zorgen van de economische ontwikkeling. In de jaren zestig werd met financiële
steun van de Sovjet-Unie de Hoge Dam bij Aswan gebouwd om de industrie van
elektriciteit te voorzien. Voorts werd een begin gemaakt met de aanleg van een
elektriciteitsnet op het platteland. Inmiddels kan de Aswandam echter niet meer
voldoen aan de gestegen vraag. In 1986 kwam een tweede krachtcentrale (270 mW)
bij Aswan gereed. In samenwerking met de Verenigde Staten en Frankrijk werd het
gebruik van kernenergie (de bouw van twee kerncentrales) onderzocht, maar
daarvan is afgezien.
|
Industrie
De productie steeg tussen 1950 en 1970 met ca. 20% en sindsdien jaarlijks met ca. 5%. Er is een overschot aan goedkope arbeidskrachten, maar een tekort aan technisch geschoolden. Er is inefficiency, onderbezetting en tekort aan kapitaal. Sinds 1977 voert Egypte een beleid om meer buitenlands kapitaal aan te trekken en de vele staatsbedrijven te privatiseren. De meeste industrieën liggen in en rond de grote steden van de Nijldelta (Caïro, Port Said, Alexandrië); de voornaamste industriële sectoren zijn de textielindustrie en de voedingsmiddelenindustrie (ca. 57% van de industriële productie). De zware industrie wordt steeds belangrijker, zoals de ijzer- en staalindustrie in Helwan en de aluminiumindustrie in Nag Hammadi. Andere kleine industrieën zijn o.m. cement-, auto- en elektronische industrie. Sinds 1980 is er een sterke ontwikkeling van de wapenindustrie.
Handel
De handelsbalans van Egypte vertoont al vele jaren tekorten. In 1986 werd totaal voor US $ 5680 miljoen uitgevoerd en voor US $ 15
.250 miljoen ingevoerd. Veel consumptiegoederen moeten worden ingevoerd (vooral tarwe). Verder worden machines, chemicaliën, transportmiddelen en metaal ingevoerd. De voornaamste uitvoerproducten zijn katoen en aardolie (samen ruim 50% van de export), textielproducten en rijst. De belangrijkste exportgebieden zijn de voormalige Sovjet-Unie, de EU-landen (vooral Italië, Griekenland en de Verenigde Staten). De meeste import kwam uit de EU-landen (vooral Duitsland, Italië en Frankrijk) en de Verenigde Staten en Japan.Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Met de revolutie van 1952 begon de economische planning. In het eerste tienjarenplan (1954–1964) lag het zwaartepunt op de ontwikkeling van de industrie. Na de oorlog van 1967 werd een driejarenplan vastgesteld met het zwaartepunt op de consolidering van vroegere investeringen. Het in 1971 opgestelde nieuwe tienjarenplan voor 1973–1982 moest in verband met de Oktoberoorlog van 1973 worden ingetrokken. Het werd vervangen door een jaarlijkse planning, terwijl tegelijkertijd een afzonderlijk wederopbouwprogramma werd opgesteld voor o.a. de Suezkanaalzone en het Sinaïschiereiland, voor Groot-Caïro en voor het gebied van het Nassermeer. Het vijfjarenplan 1976–1980 gaf prioriteit aan de industriële groei. Op landbouwgebied heeft uitbreiding van de cultuurgrond voorrang. Om financiële redenen konden de doelstellingen van dit plan en het plan 1980-1984 echter niet gehaald worden. Een tussentijds gelanceerd nieuw vijfjarenplan (1982–1987) beoogde de binnenlandse consumptie en de import te verminderen en door ontwikkeling van mijnbouw, industrie, transport en het Suezkanaal het tekort op de handelsbalans te bestrijden. Het vijfjarenplan 1987–1992 wilde de productie in de publieke sector stimuleren en de export doen stijgen. Een groot probleem vormt het hoge niveau van subsidies op eerste levensbehoeften en olie. Voor verdere kredieten eist het Internationale Monetaire Fonds (IMF) de geleidelijke vermindering van deze subsidies. De totale schuld van Egypte beliep in 1994 $ 30 miljard (in 1978 nog $ 8 miljard). In 1987 werd met het IMF een akkoord over de herstructurering van de schulden bereikt. De wisselkoersen werden vrijgelaten, waardoor het Egyptische pond met de helft in waarde daalde.
Volgens ruwe schattingen heeft Egypte tot 1974 voor meer dan $ 5 miljard aan hulp ontvangen van de westerse landen en voor bijna $ 7 miljard van de Oostbloklanden. Tussen 1969 en 1990 kreeg Egypte van de Verenigde Staten meer dan $ 14 miljard economische bijstand. Daarnaast zijn de Bondsrepubliek Duitsland en Japan belangrijke donoren. Nederland trekt vanaf 1975 jaarlijks ƒ 30 miljoen uit voor bilaterale hulp, waarvan ruim 60% in de waterbeheersingssector wordt besteed, o.a. in het drainage- en irrigatieproject van het vruchtbare Fajoemgebied. In totaal ontving Egypte in 1996 bijna $ 2 miljard aan buitenlandse financiële hulp.
Bankwezen
De Central Bank of Egypt werd opgericht in 1960. In 1971 werd het bankwezen gereorganiseerd. Er werd een speciale bank opgericht om de buitenlandse handel en buitenlandse investeringen te stimuleren. Sinds 1974 kunnen buitenlandse banken zich vestigen in Egypte. Deze banken blijven bijna alle voor 51% in Egyptische handen; hierdoor kunnen ze aan zowel binnenlandse als buitenlandse transacties deelnemen. In 1975 werd de Nasser Social Bank opgericht om pensioenen en andere vormen van sociale verzekering te regelen. Sinds 1979 bestaan er in Egypte islamitische banken die zaken doen volgens de regels van de shari‘a (islamitische wet). Door excessieve speculatie kwam een aantal islamitische investeringsmaatschappijen in de jaren tachtig in moeilijkheden, waarop de Centrale Bank in 1987 het toezicht op het bankwezen verscherpte.
Verkeer en toerisme
Goede wegen verbinden Caïro en Alexandrië, de steden langs het Suezkanaal en die in Opper-Egypte. Het Egyptische wegennet is in de jaren tachtig sterk uitgebreid. Het beslaat in totaal meer dan 45
.000 km. In 1980 kwam de Hamditunnel onder het Suezkanaal gereed. De kustweg naar Libië en de verbinding met Soedan werden verbeterd. Reeds in 1851 had Egypte een spoorwegnet. In 1990 bedroeg de totale lengte 7726 km. In 1987 werd het metronet in Caïro in gebruik genomen.De voornaamste havens zijn
Alexandrië, Port Said en Suez. Een nieuw groot havencomplex kwam in 1986 gereed bij Damietta. In 1985 werd een veerdienst in gebruik genomen tussen Nuweibeh aan de Rode Zee en de Jordaanse haven Akaba. De waterwegen zijn belangrijk als transportmogelijkheid. De totale lengte bedraagt 3350 km, waarvan bijna de helft door de Nijl gevormd wordt; de rest bestaat uit kanalen.
![]() |
De regering wil de havens aan de Middellandse Zee en de Rode Zee
uitbreiden. Ten westen van Alexandrië wordt een nieuwe haven gebouwd:
Dakheila, met een capaciteit van 20 miljoen ton goederen overslag per jaar (Alexandrië:
15 miljoen ton). De havens Port Said, Ismailia en Suez worden vergroot sedert de
heropening van het Suezkanaal (1975). De nationale luchtvaartmaatschappij Egypt
Air verzorgt binnenlandse en buitenlandse vluchten. Caïro en Alexandrië
beschikken over een internationale luchthaven.
|
| In de tweede helft van de jaren zeventig heeft het toerisme
zich met overheidssteun krachtig hersteld van de tegenslagen, veroorzaakt door
de oorlogen met Israël. De Golfcrisis en aanslagen door moslimfundamentalisten
deden de sector geen goed. In 1984 bezochten 1,5 miljoen buitenlanders het land
en in 1995 was dat cijfer ruim verdubbeld. Het toerisme (een van de weinige
pluspunten van de economie) richt zich vnl. op de grote monumenten van de
Egyptische
beschaving en in toenemende
mate op de Rode-Zeekust.
|
|
Geschiedenis
Egypte is door de eeuwen heen de naam geweest van een land dat de noordoostelijke hoek van het Afrikaanse continent omvat, met inbegrip van het, fysisch-geografisch tot Voor-Azië behorende, schiereiland Sinaï. De kern van het land is het dal van de beneden-Nijl, van de eerste cataract bij Aswan tot aan de Middellandse Zee, tot welk gebied de naam Aiguptos oorspronkelijk beperkt was. De betekenis van de naam is niet bekend. De oude Egyptenaren noemden hun land Kemi of Kemet (= zwart, naar het Nijlslib, als tegenstelling tot het geel van de woestijn). De Arabische naam voor Egypte is Misr. In het Hebreeuws heet het land Mitsraïm of Masor, in het Oud-Perzisch Moedraja. Afwisselend vormde Egypte een staatkundige eenheid of was het een conglomeraat van elkaar beoorlogende staatjes, was het een onafhankelijk koninkrijk of stond het onder vreemde heerschappij.
De Romeinse tijd (30 v.C.–ca. 300 n.C.)
De Romeinse tijd ving aan op het moment dat Augustus Egypte als keizerlijke provincie bij het Romeinse Rijk inlijfde. In de drie eeuwen die volgden, werd het centrale gezag, dat onder de laatste Ptolemaeën sterk had geleden, hersteld, maar ingrijpende veranderingen bracht het Romeinse bewind niet. De cultuur bleef sterk Grieks beïnvloed. In 212 n.C. verkregen de inwoners van Egypte het Romeinse burgerrecht krachtens de Constitutio Antoniniana. Sinds de 2de eeuw verspreidde het christendom zich er snel.
Economisch ging Egypte er in de Romeinse tijd niet op vooruit. Zeer hoge belastingen werden opgelegd aan de inwoners van het land dat als ‘graanschuur van Rome’ grote hoeveelheden graan aan Rome moest leveren. De daaruit voortvloeiende economische ontreddering werd nog vergroot door de inflatie die in de 4de eeuw in het Romeinse Rijk onrustbarende vormen aannam. Men ging ertoe over welgestelde burgers te verplichten gedurende een aantal jaren een bepaald ambt zelf te bekleden of op eigen kosten door een ander te laten vervullen. Op dit systeem van liturgieën kwam op den duur het hele ambtelijke apparaat in Egypte te rusten.
De Byzantijnse tijd (ca. 300–642 n.C.)
De Byzantijnse tijd ving voor Egypte aan met ingrijpende hervormingen ten tijde van keizer Diocletianus op het gebied van o.a. de staatkundige organisatie, de economie en het monetaire systeem. Ondanks die hervormingen was deze periode er echter duidelijk een van verval. De bevolking viel uiteen in een kleine groep van machtige grootgrondbezitters en de enorme massa der van hen afhankelijken, vooral boeren.
Egypte onder de kaliefen (642–969)
Met de inval van de Arabische veldheer Amr ibn al-As in 639 begint de geschiedenis van Egypte als islamitisch land. Op de plaats van de vesting Babylon (niet ver van het huidige Caïro) werd de nieuwe stad al-Foestat gevestigd; van hieruit begon de Arabische verovering van Noord-Afrika. Egypte was in die eerste eeuw van de islam een typisch wingewest, dat aan de schatkist van de te Damascus zetelende kaliefen geweldige baten opleverde. Het Arabisch-islamitische bewind ondervond, ondanks verscheidene opstanden van de Egyptische christenen, de
Kopten, weinig moeilijkheden. De administratie werd aanvankelijk in handen van christelijke ambtenaren gelaten en de Arabische taal werd door de bevolking vrij snel overgenomen. De strijd rond de erkenning van de dynastie der Omajjaden in 658 was evenwel ook in Egypte met bloedvergieten gepaard gegaan, en in 750, bij haar vervanging door die der Abbasiden, vielen eveneens slachtoffers. De laatste Omajjadenkalief, Marwan, vluchtte naar Egypte en werd daar vermoord.De te Bagdad zetelende Abbasiden bestuurden Egypte evenals hun voorgangers door middel van stadhouders. Op den duur konden zij hun gezag niet handhaven; in 868 maakte stadhouder Ahmad ibn Toeloen zich in feite onafhankelijk. Zijn nakomelingen (de Toeloeniden) moesten echter weer plaats maken voor door Bagdad gezonden stadhouders, totdat in 935 stadhouder Mohammed al-Ichsjid in staat was zich als onafhankelijk heerser op te stellen. Na zijn dood werd de macht uitgeoefend door de door hem tot voogd van zijn kleinzoon aangewezen eunuch Kafoer, die als een van de beste heersers van Egypte bekend is. Kafoer stierf in 968 en reeds het volgende jaar moest al-Ichsjids kleinzoon Ahmad het veld ruimen voor de sji‘itische
Fatimiden.Egypte zelfstandig onder Arabische dynastieën (969–1517)
De Fatimiden hadden ca. 910 de dynastie der Aghlabiden in Tunesië verdreven en waren spoedig daarna met een voortdurende actie tegen Egypte begonnen. In 969 werd al-Foestat ingenomen; de (sji‘itische) Fatimiden namen vervolgens de titel kalief aan. Hun heerschappij zou tot 1171 duren. Uit het ten noordoosten van al-Foestat gestichte legerkamp groeide snel de nieuwe Fatimidenhoofdstad al-Kahira (Caïro), sedertdien de hoofdstad van Egypte. De Fatimidenkalief vestigde zich in deze nieuwe residentie, terwijl zijn zegevierende troepen in de volgende twintig jaren ook nog het grootste deel van Syrië met Damascus onderwierpen. Zo was Egypte ca. 980 het kernland van een machtig rijk geworden, dat zich van Algerije tot aan Syrië uitstrekte. Gedurende de 11de eeuw gingen de gebieden in het westen en het oosten echter allengs weer verloren.
Vooral de eerste heersers der Fatimiden waren bekwaam en hebben het land een tijdperk van materiële en culturele bloei geschonken, waarvan literaire, wetenschappelijke en artistieke productiviteit getuigenis aflegt. De handel met oost en west bracht grote welvaart.
Intussen bleven inwendige twisten, vooral veroorzaakt door Turkse hulptroepen waarvan de Fatimiden gebruik maakten, niet uit. In de jaren 1062–1075 beleefde Egypte daardoor, en mede door het niet wassen van de Nijl, een diep economisch verval, waarbij ook grote schatten van literatuur en kunst verloren gingen. Daarna was het gezag herhaaldelijk in handen van almachtige viziers.
In het begin van de 12de eeuw kwam ook Egypte in conflict met de Kruisvaarders; de binnenlandse toestand was intussen zo slecht geworden, dat interventie van de islamitische machthebbers in Syrië, de
Ajjoebiden, die daar het verzet tegen de Kruisvaarders georganiseerd hadden, onvermijdelijk werd. Zo kon ten slotte de Ajjoebide Saladin in 1171 de Fatimiden zonder veel moeite opzij schuiven en in Egypte zijn gezag vestigen.De Ajjoebiden brachten Egypte weer officieel tot de soennitische islam en vestigden er een autocratisch regeringssysteem. Onder de regering van al-Kamil had in 1219 een inval van de Kruisvaarders in Egypte plaats, waarbij Damiate (Damietta) veroverd werd.
Een tweede maal werd deze stad genomen in 1250 bij de zevende Kruistocht onder Lodewijk IX, die daarna door het Egyptische leger gevangen werd genomen. Datzelfde jaar bracht het einde van de Ajjoebidendynastie in Egypte, niet opgewassen als zij was tegen het machtsstreven van de voor het grootste deel uit Turken bestaande huurtroepen van het rijk.
Het tijdperk der
Mamelukken (1250–1517). Mameluk (Arab., = slaaf) werden de huurlingen genoemd uit wie de rijkslegers waren samengesteld. Men onderscheidt de Bahridische Mamelukken (1250–1390) en de Boerdjidische Mamelukken (1390–1517), zo genoemd naar de plaats waar hun invloedscentrum was gelegen in de hoofdstad. Twisten tussen de machthebbers onderling bleven niet uit, maar de Egyptische bevolking zelf gedroeg zich meestal apathisch ten opzichte daarvan. Slechts weinig Mamelukkensultans, zoals Baibars (1260–1277) en al-Nasir (1310–1341), toonden zich bekwame heersers. Wederom werd in deze periode Syrië bij het Egyptische rijk gevoegd, dat zich soms van Barka tot de Eufraat en de Taurus uitstrekte en waarvan de invloedssfeer ook over West- en Zuid-Arabië reikte. De administratie van het land kwam in handen van een bekwame ambtenarenklasse, waarvan verscheidene leden uiterst waardevolle werken over de administratie en de toestanden van Egypte en Syrië hebben nagelaten. Van de bloei van de kunst en vooral van de bouwkunst legt een aantal schitterende moskeeën in Caïro getuigenis af.Egypte als deel van het Osmaanse Rijk (1517–1806)
Egypte verloor opnieuw zijn politieke zelfstandigheid in 1517 door de verovering door de Osmaanse sultan Selim I. De Mamelukken waren reeds in de 15de eeuw in conflict met de snel groeiende Osmaanse macht gekomen; bij de geweldige uitbreiding van het Osmaanse Rijk kon ten slotte het economisch verzwakte Egypte zijn zelfstandigheid niet meer handhaven. De verovering ontmoette geen noemenswaardig verzet en voortaan werd Egypte door Turkse gouverneurs bestuurd. Een speciaal troepenkorps van Mamelukken bleef echter bestaan en dit kon vaak naar welgevallen de Turkse pasja's afzetten en doen benoemen. De ongeregelde toestand verminderde de welvaart van het land, terwijl ook de grote teruggang van de doorvoerhandel – wegens de ontdekking door de Europese mogendheden van de zeeweg naar Indië – een sterke economische inzinking veroorzaakte. Naarmate het Osmaanse Rijk in de 18de eeuw verzwakte, traden verschillende persoonlijkheden onder de Mamelukken naar voren, die zich als onafhankelijk vorst van Egypte wilden doen erkennen; bekend is de opstand van Ali Bei in 1768.
Een geheel nieuwe wending nam Egyptes geschiedenis door de Franse bezetting in 1798 onder
Napoleon I Bonaparte. Deze gebeurtenis was het gevolg van Egyptes geografische ligging tussen Europa en de door Europese mogendheden in Indië veroverde koloniale gebieden, een ligging die in de nu volgende periode van steeds groter betekenis zou worden voor de lotgevallen van het land. De Franse bezetting heeft aan de Franse culturele invloed in Egypte een voorsprong gegeven, hoewel door de tijdelijk verenigde krachten van het Osmaanse Rijk en Engeland de Franse troepen reeds in 1801 het land weer geheel moesten verlaten. Enige jaren later kreeg de geschiedenis van het land een geheel nieuwe wending door het optreden van Mohammed [Egypte], die als Turks officier in 1799 in het land was gekomen en zo'n grote invloed had gekregen, dat hij in 1806 tot gouverneur van Egypte werd benoemd.Feitelijke zelfstandigheid (1806–1882)
Mohammed Ali (1806–1848) is door zijn despotisch optreden op militair, economisch en cultureel terrein de vader van het moderne Egypte geworden. Hij trok ten strijde tegen de
Wahhabieten in het gebied rondom Mekka, waar hij zijn macht definitief vestigde (1818). Daarna veroverde hij het noordelijk gedeelte van Soedan (1821). Met hulp van Franse officieren voerde hij een geslaagde modernisering van het leger door, en ook de vloot werd op moderne leest geschoeid, waarbij de strijd tegen de Grieken (1824–1827), zijn bestuur over Kreta (vanaf 1821) en de acties in Anatolië en Syrië (1832–1840) hem de gelegenheid boden de vernieuwingen te toetsen. Hij decentraliseerde het bestuur en stichtte een aantal drukkerijen. Studenten konden in Parijs studeren. In 1825 werden met Franse hulp een ziekenhuis en een medische faculteit gesticht.Mohammed Ali nam zijn toevlucht tot dwangarbeid om de Nijl te normaliseren en door aanleg van een kanaal Caïro toegankelijk te maken voor lichte zeeschepen. De aanleg van een stuwdam in de Nijl mislukte. Door confiscatie van gronden en het vestigen van een staatsmonopolie op katoen, waarvan de kwaliteit werd verbeterd, op Arabische gom en indigo maakte Egypte economisch grote vooruitgang. In 1835 kwam er een voorloper van het Suezkanaal tot stand door een lorrieverbinding tussen de haven van Caïro en Suez.
In 1841 werd Mohammed Ali erfelijk regeerder over Egypte en Soedan, maar in de strijd om de handelsmonopolies moest hij het afleggen tegen Constantinopel, dat sterk was door buitenlandse invloed. Zijn zoon Ibrahim, die grote militaire successen had geboekt, werd in 1848 regent, doch overleed nog hetzelfde jaar, acht maanden vóór zijn vader.
Abbas Hilmi I (1848–1854) was anti-Europees, maar niet antichristelijk, getuige zijn opneming van Armeniërs en Kopten in het bestuursapparaat. In juli 1854 werd hij vermoord en Said (1854–1863) volgde hem op. Hij begunstigde de Fransen en gaf aan Ferdinand de Lesseps in 1856 de concessie tot het graven van het
Suezkanaal. Vooral als gevolg daarvan liet hij Egypte achter in grote schulden, toen hij in 1863 stierf.Ismail (1863–1879) verdubbelde de belastingen, kreeg van Constantinopel de eretitel van khedive (onderkoning) en vergrootte het strategisch belang van Egypte door de opening van het Suezkanaal in 1869. Toen Groot-Brittannië echter in het midden van de jaren zeventig zich tegen Ismails streven naar Afrikaanse expansie verzette, leed hij tot tweemaal toe een nederlaag in Ethiopië. Nog meer taande zijn glorie, toen zijn leger door de Russen aan de Donau werd verslagen. In zijn economische politiek slaagde hij er niet in de levensstandaard van het gewone volk op te voeren. In 1876 werden de consulaire gerechtshoven, die zaken tegen vreemdelingen behandelden, op basis van de Code Napoléon hervormd, doch doordat Egyptische samen met buitenlandse rechters de zittingen leidden, werd de macht van het buitenland in Egypte aanmerkelijk vergroot. In 1875 was Egypte zo achteruitgegaan dat het zijn rente op de Europese schulden niet meer kon betalen; Ismail was genoodzaakt zijn aandelen in de Suezkanaal-maatschappij te verkopen aan Engeland; bovendien moest hij buitenlanders toelaten om de financiën te controleren, wat in feite neerkwam op een Frans-Engels beheer van inkomsten en uitgaven. Onder Franse en Engelse invloed ontsloeg de sultan in Constantinopel ten slotte Ismail als khedive; hij werd door zijn zoon Mohammed Tawfik (1879–1892) opgevolgd. Inmiddels was de middenstand politiek ontwaakt; zij vond een uitgang voor politieke aspiraties in de Vrije Nationale Partij van
al-Afghani en Mohammed Abdoeh, gesticht in 1878. Door tegenstand van de regering en de streng orthodoxe al-Azhar Universiteit werden deze twee mannen spoedig uit Egypte verbannen en werd de Anglo-Franse greep op Egypte nog hechter, vooral op de financiën. Doordat de (islamitische) bevolking deze buitenlandse machten als een christelijk front beschouwde, groeide de onrust. Snel steeg de ster van de nationalist Arabi Pasja. Arabi werd in 1882 minister van Oorlog; toen de nationalisten uitdagend gingen optreden, bombardeerden de Engelsen Alexandrië. Frankrijk en Italië weigerden mee te doen aan militaire acties. Op 13 sept. werd Arabi door een Brits leger verslagen, waarna de Britse bezetting van Egypte een feit werd.De Britse overheersing (1882–1922)
De Britten trokken op 15 sept. 1882 Caïro binnen. Egypte werd in de praktijk een Brits protectoraat, hoewel de soevereiniteit van de Osmaanse sultan in Istanbul tot aan de Eerste Wereldoorlog erkend bleef. Inmiddels was in Soedan een opstand uitgebroken onder een religieuze leider,
mahdi Mohammed Ahmed. De Engels-Egyptische legers leden tegen hem de ene nederlaag na de andere; in 1885 was geheel Soedan in handen van de mahdisten. De Britse consul-generaal, Sir Evelyn Baring, sinds 1891 Lord Cromer geheten, voerde een sanering van de financiën door en bevorderde bevloeiingswerken, w.o. de Aswandam (1902). Tawfik overleed in 1892 en werd opgevolgd door zijn zoon Abbas Hilmi II.Het nationalisme had intussen steeds meer vat gekregen op de jeugd van de welgestelde burgerij. Moestafa Kamil, die in Frankrijk gestudeerd had, richtte in 1894 de ‘Vaderlandse Partij’ (Hizb al-Watani) op. De partij keerde zich zowel tegen het Britse bestuur als tegen de daarmee samenwerkende khedive. Na de dood van Kamil in 1908 geraakte zijn partij in verval, maar de nationalistische agitatie hield aan. In 1911 nam Lord
Horatio Herbert Kitchener, die in 1898 Soedan op de mahdisten had terugveroverd, het bestuur over. In 1913 kreeg Egypte een parlement met tamelijk vergaande wetgevende bevoegdheid, en een nieuw kiesstelsel.Egypte als onafhankelijke staat
Toen Turkije in de Eerste Wereldoorlog de zijde van de Centrale Mogendheden koos, werd Egypte op 18 dec. 1914 officieel tot Brits protectoraat geproclameerd. De macht berustte bij de Britse Hoge Commissaris. Hoesein Kamil, die zijn oom Abbas Hilmi II was opgevolgd met de titel sultan, overleed in 1917 en werd opgevolgd door zijn broer Ahmed Foead. De nationalistische oppositie had een nieuwe leider gevonden in Sa‘d Zaghloel Pasja. Na de oorlog wist de toenmalige Hoge Commissaris, generaal Allenby, de regering in Londen te bewegen tot een eenzijdige opheffing van het protectoraat (22 febr. 1922). Egypte werd als een onafhankelijke staat erkend, hoewel Engeland de exclusieve controle behield over de verdediging van Egypte, de verbindingswegen van het Britse imperium (Suezkanaal), de bescherming van minoriteiten en buitenlandse belangen en het bestuur over Soedan. Foead nam de koningstitel aan; Egypte werd een parlementaire monarchie met een naar Belgisch model ontworpen constitutie. Zaghloel stichtte een nieuwe nationalistische partij, de Wafd.Van 1922 tot aan de Tweede Wereldoorlog werd het politieke toneel in Egypte beheerst door een driehoeksconflict tussen de koning, de Wafd-partij en de Britse regering. De inzet hiervan was de toepassing van de constitutie; noch de koning, noch de Britten wensten een Wafd-meerderheid in het parlement. Pas in 1935 leidde de nationalistische agitatie tot vrije verkiezingen krachtens de constitutie van 1922. Deze leverden een Wafd-meerderheid op; de nieuwe Wafd-leider, Nahas Pasja, vormde in mei 1936 een geheel uit partijgenoten samengesteld kabinet. Een maand eerder was Foead gestorven en opgevolgd door zijn zoon Faroek. Deze zond reeds in 1937 premier Nahas heen, waarna het land werd geregeerd door ‘paleiscoalities’, in welke situatie ook het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog geen verandering bracht. Pas in febr. 1942, toen het oprukkende Duitse
Afrikakorps onder Rommel de Britten in Egypte zorgen baarde en de Egyptische koning en regering hun weinig steun verleenden, keerde Nahas Pasja op Brits aandringen als premier terug. In okt. 1944, toen voor Egypte het oorlogsgevaar geweken was, ontsloeg Faroek Nahas echter opnieuw.De naoorlogse periode tot 1967 (VAR en Suezcrisis)
Inmiddels waren op instigatie van Nahas Pasja de eerste stappen gezet naar de oprichting van de Arabische Liga op 22 maart 1945. Egypte trachtte binnen deze organisatie de Arabische wereld te mobiliseren in een strijd tegen de laatste restanten van de Britse imperiale positie in het Midden-Oosten. (De Britten beheersten nog steeds Soedan en het Suezkanaal.) De verloren Palestijnse oorlog in 1948 schiep een steeds chaotischer politieke situatie in het land, terwijl het bewind van Faroek werd gekenmerkt door corruptie en willekeur. De koning werd geconfronteerd met een groeiend aantal oppositionele groeperingen, waaronder de communisten en de snel opkomende extreem-rechtse Moslemse Broederschap (opgericht in 1928). De geheime tak van deze organisatie pleegde diverse moordaanslagen op politici. De leider van de Broederschap Hassan al-Banna werd in 1949 vermoord.In het leger bestond inmiddels een geheime organisatie van jonge officieren onder leiding van kolonel Djamal Abd al-Nasser; toen Faroeks geheime politie haar op het spoor was gekomen, voerde de organisatie op 23 juli 1952 een staatsgreep uit. Faroek verliet als banneling het land, waarna op 18 juni 1953 de republiek werd geproclameerd. Er vond een strijd om de macht plaats tussen generaal Mohammed Naguib, de nominale voorzitter van de militaire junta, en kolonel Nasser, die in het voordeel van Nasser werd beslist. In okt. 1954 bereikte Nasser met Engeland overeenstemming over de terugtrekking van de Britse troepen langs het Suezkanaal. Hij maakte vervolgens een aanvang met de uitvoering van sociale en economische hervormingen; in zijn buitenlandse politiek ontpopte hij zich als een overtuigd voorstander van de politiek van ongebondenheid. In juli 1956 beantwoordde hij Brits-Amerikaanse pogingen om Egypte te dwingen tot deelneming aan het Bagdadpact met de nationalisatie van het Suezkanaal. Uit de daaruit voortvloeiende Suezcrisis, die in het gezamenlijke militaire optreden tegen Egypte van Engeland, Frankrijk en Israël, eind oktober haar hoogtepunt kreeg, trad hij dankzij een ‘de facto’-samenwerking van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in de Verenigde Naties als diplomatiek overwinnaar te voorschijn; radicale groepen in de gehele Arabische wereld zagen hierna in hem het symbool van een Arabische renaissance. Een van deze groepen, de Syrische socialistische
Ba‘thpartij, ijverde voor een politieke band tussen Syrië en Egypte en op 5 febr. 1958 kwam een Egyptisch-Syrische Unie tot stand, die de naam Verenigde Arabische Republiek (VAR) kreeg. Nasser werd als eerste president van de VAR aangewezen. Nasser wist zijn greep op het politieke leven binnen de VAR steeds meer te versterken, en onder de Syrische bourgeoisie en militairen ontstond grote ontevredenheid over het Egyptische centrale gezag, vooral nadat Nasser in juni 1961 de meeste grote Syrische ondernemingen had genationaliseerd. Op 28 sept. pleegde een aantal Syrische officieren een staatsgreep en scheidde Syrië zich weer van de VAR af.Nadat de VAR in 1958 tot stand was gekomen, waren ook andere Arabische staten uitgenodigd zich bij de nieuwe unie aan te sluiten. In maart 1958 werd een losse federatie gesloten tussen de VAR en Jemen, genaamd de Verenigde Arabische Staten (VAS). Ook de VAS bleek niet erg levensvatbaar; zij viel in dec. 1961 uiteen.
Terwijl inmiddels de betrekkingen tussen Egypte (de naam VAR bleef officieel nog tot 1971 bestaan) en het Westen verslechterden, verbeterde de relatie met de Sovjet-Unie, die tegen voordelige voorwaarden wapens en technische uitrusting leverde en hulp verleende bij de bouw van militaire installaties en industriële projecten (o.a. de
Aswandam). Communistische partijen bleven echter binnen Egypte verboden en hun leden werden vaak zwaar vervolgd. In juni 1962 werd een nieuw regeringssysteem ingevoerd, dat o.m. gebaseerd was op de Arabische Socialistische Unie (ASU) als enige politieke partij. Nasser wist zijn positie van belangrijkste leider van de Arabische wereld de volgende jaren voortdurend te versterken, maar zijn regering ondervond in deze periode ernstige economische moeilijkheden. Pogingen van de Saoedische koning Faisal in het begin van 1966 om een alliantie tussen een aantal conservatievere islamitische staten te vormen, werden door Nasser beschouwd als een reactionaire bedreiging van zijn macht in de Arabische wereld. Ook het bewind van koning Hoessein van Jordanië werd door Egypte sterk gekritiseerd. Er vond echter weer een zekere toenadering plaats tussen Egypte en Syrië en in nov. 1966 werd er, mede op aandringen van de Sovjet-Unie, een defensieverdrag tussen beide landen gesloten.Oorlogen met Israël
Toen Syrië in mei 1967 bekendmaakte dat Israël op het punt stond een grootscheepse aanval op Syrië te doen, reageerde Nasser met het zenden van een grote troepenmacht naar de Israëlische grens. Op zijn verzoek werden de troepen van de Verenigde Naties bij de grens van Egypte met Israël teruggetrokken. De spanning nam sterk toe en alle Arabische leiders betuigden hun steun aan Nasser; ook Jordanië en Irak sloten nu defensieovereenkomsten met Caïro. Op 5 juni deed de Israëlische luchtmacht een grootscheepse aanval op de vliegvelden van Egypte, Jordanië, Syrië en Irak, waarbij het grootste deel van de Arabische luchtmacht op de grond vernietigd werd. Binnen vijf dagen bezette het Israëlische leger de Gaza-strook, het Sinaï-schiereiland, de westoever van de Jordaan en de hoogvlakte van Golan. Het Suezkanaal werd tijdens de oorlog door Egypte geblokkeerd. Op 9 juni, een dag na het staakt-het-vuren, bood Nasser zijn ontslag aan; grootscheepse demonstraties te zijnen gunste deden hem echter besluiten aan te blijven. Op 19 juni trok hij ook de functies van premier en secretaris-generaal van de ASU aan zich. Een groot deel van de voor Egypte verloren gegane wapens werd vervolgens met de hulp van de Sovjet-Unie vervangen. Grote aantallen Russische militaire adviseurs en technici werden naar Egypte gezonden. De Sovjet-Unie verstrekte ook op grote schaal economische hulp en verwierf steeds grotere invloed in Caïro.
Naar aanleiding van de Egyptische nederlaag in de oorlog met Israël hadden grote wijzigingen in de Egyptische legerleiding plaats. Een militaire staatsgreep tegen Nasser werd echter verijdeld. De volgende jaren kwamen herhaaldelijk studentenstakingen en -opstanden voor, vooral gericht tegen de vaak halfslachtige houding van de Egyptische overheid ten aanzien van de strijd met Israël en tegen een gebrek aan democratie op de universiteiten.
Op 28 sept. 1970 stierf president Nasser, waardoor een leemte in het leiderschap van de Arabische wereld ontstond. Hij werd opgevolgd door Anwar al-Sadat. Op 17 april 1971 kwam officieel een nieuwe federatie tot stand tussen Egypte, Libië en Syrië, genaamd de Federatie van Arabische Republieken (FAR), die echter in de praktijk niet zou functioneren. Binnen de Egyptische regering en de ASU bestond echter verzet tegen de FAR en tegen de politiek van Sadat. In mei 1971 werden grootscheepse zuiveringen gehouden onder Sadats politieke tegenstanders, van wie er een aantal ter dood werd veroordeeld. Inmiddels was onder Sadats nieuwe bewind in de binnen- en buitenlandse politiek van Egypte sprake van een verschuiving naar rechts. Een conflict met de Sovjet-Unie was ontstaan door de weigering van dat land aan Egypte de gewenste wapens te leveren voor de strijd tegen Israël. Na haar breuk met de Sovjet-Unie probeerde de Egyptische regering politieke en militaire steun te verkrijgen in het Westen, hetgeen grotendeels mislukte. Egypte werd hierdoor gedwongen opnieuw toenadering te zoeken tot de Sovjet-Unie. Eind 1972 waren de betrekkingen tussen Egypte en de Sovjet-Unie weer enigszins genormaliseerd. Egyptes verhouding met Libië werd inmiddels steeds slechter
: van het in aug. 1972 genomen besluit om voor sept. 1973 een volledige unie tussen beide landen te bereiken kwam niets (in sept. 1974 was een volledige breuk een feit, waardoor ook de FAR ophield te bestaan).Op 6 okt. 1973 opende Egypte een aanval op het door Israël in 1967 bezette grondgebied ten oosten van het Suezkanaal, gecoördineerd met een Syrische aanval op de eveneens door Israël bezette Golan-hoogvlakte (Oktoberoorlog). Op 23 okt. werd door de strijdende partijen een staakt-het-vuren aanvaard. Vredesbesprekingen te Genève in december liepen op niets uit. Op 17 jan. 1974 werd, na intensief bemiddelingswerk door de Amerikaanse minister
Henry Alfred Kissinger, tussen Egypte en Israël afzonderlijk een interim-troepenscheidingsakkoord gesloten, waarbij ook een VN-bufferzone werd ingesteld. De Sovjet-Unie werd buiten het overleg gehouden. In maart herkreeg Egypte de controle over beide oevers van het Suezkanaal. De omstreden kwestie van wel of geen deelname door de Palestijnen aan verdere vredesbesprekingen tussen de betrokken landen bracht de situatie in het Midden-Oosten nadien in een impasse, die pas in sept. 1975 werd doorbroken, toen Kissinger erin slaagde een tweede deelakkoord tussen Egypte en Israël tot stand te brengen. Inmiddels was op 5 juni 1975 het Suezkanaal heropend. Sadats soepele houding tegenover Israël ontmoette echter in vele Arabische landen scherpe kritiek.Onenigheid met Moskou over de terugbetaling van de Egyptische schulden aan de Sovjet-Unie, alsmede over de levering van meer Russisch oorlogsmaterieel aan Egypte leidde in de loop van 1975 tot een ernstige verkoeling in de betrekkingen tussen beide landen. Egyptes verhouding met de Verenigde Staten en diverse andere westerse landen werd daarentegen steeds hartelijker, hetgeen resulteerde in een aantal akkoorden betreffende economische samenwerking en wapenleveranties.
Camp David-akkoorden en toenadering tot het Westen
Het spectaculaire bezoek van president Sadat aan Israël, waar hij o.a. de Knesset toesprak, in nov. 1977 doorbrak de impasse in het vredesproces met Israël. Ondanks felle kritiek uit het binnenland en uit de Arabische wereld, werd het overleg met Israël door Amerikaanse bemiddeling voortgezet. In sept. 1978 werden met Israël de Camp David-Akkoorden bereikt, die uiteindelijk in maart 1979 uitmondden in een Egyptisch-Israëlisch vredesverdrag. In dit kader werd de Sinaï gefaseerd aan Egypte teruggegeven. Het laatste deel werd in april 1982 aan Egypte overgedragen. Een geschil over het grensgebied bij Taba werd in 1989 door arbitrage in Egyptisch voordeel beslecht. De Egyptisch-Israëlische toenadering bracht Egypte in de Arabische wereld in een isolement. Egypte werd in 1978 uit de Arabische Liga gestoten en werd het doelwit van een politieke en handelsboycot. Voor het wegvallen van de aanzienlijke Saoedische financiële steun vond Caïro compensatie in Washington. In de jaren tachtig zouden de gematigde Arabische staten hun houding ten opzichte van Egypte geleidelijk verzachten.De toenadering tot het Westen ging gepaard met een ‘Open deur’-politiek (Infitah) op economisch terrein. Sadat hoopte o.a. door privatisering op meer buitenlandse investeringen. De snel groeiende schuldenlast alsmede de eis van het Internationale Monetaire Fonds om subsidies op eerste levensbehoeften te verminderen leidden tot groeiende sociale spanningen (het ‘broodoproer’ van jan. 1977), waarbij zich islamitische fundamentalisten die zich tegen westerse invloeden keerden, manifesteerden. Terwijl Sadat enige concessies deed aan de Moslimbroederschap, traden daarnaast radicalere groepen op (al-Jihad, Takfir wa-l Hidjra), die steeds vaker in botsing kwamen met Koptische christenen. In sept. 1981 liet Sadat duizenden moslimfundamentalisten, communisten, nasseristen en andere vooraanstaande critici oppakken (onder wie de Koptische patriarch Shenouda). Op 6 okt. 1981 kwamen Sadat en een groot aantal andere prominenten om bij een moordaanslag van fundamentalistische soldaten tijdens een parade in Caïro. Zijn opvolger, vice-president
Mohammed Hosni Moebarak, riep de noodtoestand uit, onderdrukte opstanden in Assioet en Minya en liet talrijke moslimextremisten berechten. Vele andere gevangenen, in sept. 1981 onder Sadat gearresteerd, werden echter weer vrijgelaten.De onder Sadat begonnen voorzichtige democratisering van het politieke leven werd onder Moebarak voortgezet. In 1978 was de Nationale Democratische Partij opgericht als opvolger van de ASU en waren ter rechter- en linkerzijde nieuwe politieke partijen toegestaan. De parlementsverkiezingen van 1984 en 1987 brachten o.a. nasseristen, liberalen, Moslimbroeders en de heropgerichte Wafd-partij in de Assemblée, maar de NDP van Moebarak behield een ruime absolute meerderheid. Buitenparlementaire oppositie (moslimfundamentalisten en de nasseristische Egyptische Revolutie), die o.a. door aanslagen in het nieuws kwam, stond evenwel aan meedogenloze vervolging bloot. In juli 1992 werd de doodstraf op terrorisme ingesteld. Onder Moebarak werd tevens een grote anticorruptiecampagne begonnen, o.a. tegen familieleden van Sadat.
Moebarak
In zijn buitenlandse politiek handhaafde Moebarak de relaties met de Verenigde Staten en Israël, al bekoelden de verhoudingen met Israël aanzienlijk door de Libanonoorlog van 1982. Tegelijk slaagde Egypte erin geleidelijk terug te keren in de Arabische wereld. In dec. 1983 bezocht PLO-leider Arafat Caïro, in 1984 herstelde Jordanië de banden en in verband met de Eerste Golfoorlog volgden ook Irak en de Arabische Golfstaten. In 1987 keerde Egypte terug bij de islamitische topconferenties en in 1989 in de Arabische Liga. Als grootste Arabische land had Egypte zich in de jaren tachtig ten aanzien van de confrontatie met Iran weer een vooraanstaande positie in de Arabische wereld verworven. Tevens kon het zich opwerpen als bemiddelaar in het Arabisch-Israëlisch conflict. Ook wist Moebarak de betrekkingen met Moskou te verbeteren; in aug. 1987 bracht hij een officieel bezoek aan Moskou.Eind 1988 speelde Egypte een belangrijke rol bij het tot stand komen van de dialoog tussen de Verenigde Staten en de PLO. De betrekkingen met de radicalere Arabische staten Libië en Syrië werden hersteld en verbeterd. In febr. 1989 vormde Egypte samen met Irak, Jordanië en (Noord-)Jemen de Arabische Samenwerkingsraad, die echter in aug. 1990 weer uiteenviel ten gevolge van de Iraakse invasie in Koeweit. Samen met o.a. de Verenigde Staten stuurde Egypte troepen naar Saoedi-Arabië (ter ondersteuning van de troepen die tijdens de Tweede Golfoorlog in 1991 Koeweit bevrijdden). Tegelijk keerden ca. 1 miljoen Egyptische gastarbeiders totaal berooid uit Irak en Koeweit terug naar hun land. In 1993 kreeg Egypte te maken met een toename van tegen de regering gericht geweld door moslimfundamentalisten.
De
Moslimbroederschap, Egyptes oudste fundamentalistische beweging, distantieerde zich nadrukkelijk van het terrorisme. President Moebarak werd in okt. 1993 voor een derde ambtstermijn gekozen. Nadat het islamitisch geweld ook in 1995 weer tientallen slachtoffers had geëist, ging de regering over tot vervolging van de Moslimsbroederschap, wat tot een verdere radicalisering van de islamitische beweging leidde. Tijdens een bezoek aan Ethiopië in juni 1995 vond een mislukte moordaanslag plaats op president Moebarak. De parlementsverkiezingen van eind nov. 1995, die gepaard gingen met veel gewelddadigheden en fraude, leverden een grote overwinning op voor de regerende Nationaal-Democratische Partij.In 1996 pakte de overheid met succes het islamitisch geweld aan, terwijl ook in het dagelijks leven een dam werd opgeworpen tegen het fundamentalisme. President Moebarak bekrachtigde de centrale rol van Egypte in de Arabische wereld op de Arabische topconferentie in juni 1996 in Caïro, waarbij hij de Arabische landen (Irak ontbrak) op één lijn wist te krijgen over de voortgang van het vredesproces.
In 1997 vonden weer bloedige aanslagen plaats van radicale islamitische organisaties, waarbij die in Luxor in nov. het leven kostte aan 58 toeristen. Door de toenemende repressie waarmee de oorlog tegen de extremistische organisaties gepaard ging, dreigden ook gematigde islamitische groeperingen en democratische instellingen in de knel te komen.